Posts tonen met het label verlangen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verlangen. Alle posts tonen

donderdag 4 april 2024

Ik wil zo graag jouw stem horen!

Maandagmiddag luisterde ik naar de 3e studie van Dato Steenhuis over Hooglied.
Een prachtige studie waarin hij veel mooie dingen zei, maar een paar dingen sprongen er echt uit en lieten mij gewoon niet los.
En dan is er maar één optie voor mij, namelijk alles wat indruk gemaakt heeft, alles wat in mijn gedachten rond blijft gaan, toevertrouwen aan het digitale papier.
Ik zeg er gelijk even bij dat ik me met mijn schrijven niet aan de volgorde houd van waarin hij het heeft gezegd; schrijversvrijheid noem ik het maar even 😊
Nieuwsgierig geworden?
Lees dan mee, en luister later ook eens de studies over Hooglied, waarvan ik aan het eind van dit blogje de link zal geven; ze zijn het luisteren zo waard!

Er was veel in deze studie wat tot mijn hart sprak, en wat nog steeds terugkomt in mijn gedachten, wat dat betreft, zou ik bijna geneigd zijn om een ‘uittreksel’ van deze studie te maken, maar daar mij daar de tijd toe ontbreekt, hou ik het bij wat mij het meest heeft geraakt, en waarvan ik denk dat het gehoord mag worden.
Het gaat om de dikgedrukte woorden in onderstaande tekst.

Schilderij: Christa Rosier

‘Mijn duif in de rotskloof, in de schuilhoek van de bergwand, laat mij uw gedaante zien, laat mij uw stem horen, want zoet is uw stem en uw gedaante is bekoorlijk.’
Hooglied 2:14

Wat voor de spreker zo belangrijk is, is het overbrengen, dat de Heere ernaar verlangt om onze stem te horen.
‘Daarom’, zegt hij, ‘hebben we stembanden gekregen.’
En dan komen we bij het eerste citaat.
Ik moet hierbij wel zeggen dat mijn dichtershart de woorden van Dato in het laatste zinnetje deed omdraaien.

‘We hebben geen stembanden gekregen
om te schreeuwen en om anderen te bezeren,
maar om Hem groot te maken, om Hem te eren!’

Laat Mij uw stem horen!
Wat doen we Hem ongelooflijk veel verdriet met onze stem, wat gebruiken we onze stemmen toch vaak verkeerd.
We schreeuwen om maar gehoord te worden, we schreeuwen om de ander te overstemmen, we schreeuwen als we ons gelijk willen halen.
We schreeuwen uit machteloosheid, of uit boosheid, of frustratie.
We schreeuwen uit …, ja, wij mensen kunnen er behoorlijk op los schreeuwen, de één misschien wat meer dan de ander, maar toch.
Maar om anderen te bezeren hoeven we niet alleen te schreeuwen; ik denk zelfs dat de meeste woorden die mensen bezeren niet uitgeschreeuwd worden, maar gewoon uitgesproken.

Van deze laatste woorden gaan mijn gedachten even een heel andere kant op, namelijk naar het onderwerp van mijn Stille Tijd deze dagen, namelijk gebed, en dan in het bijzonder het ‘verenigd’ gebed.
En terwijl ik er zo over aan het nadenken was, kwam de volgende gedachte in mij op.
Wat als we nu eens als gelovigen minder zouden discussiëren en redetwisten over de dingen waar we verschillend over denken, maar in plaats daarvan samen onze handen zouden vouwen om alles aan Hem te geven, steeds weer, en net zo lang als nodig is?
En als we Hem dan daarin ook de tijd en ruimte zouden geven om dat in onze harten uit te werken wat is tot Zijn glorie en eer?
En als we dan samen alles in gebed bij de Heer gebracht hebben en vervolgens onze stemmen gaan gebruiken om Zijn Naam groot te maken en Hem te eren, in plaats van doorgaan met discussiëren en redetwisten, zouden er dan niet veel minder scheuringen zijn, minder beschadigde mensen rondlopen, of misschien zelfs nog ín de kerk komen?
Zomaar wat gedachten die in mij opkwamen bij Dato’s citaat.

Laat Mij Uw stem horen!

‘We hebben geen stembanden gekregen
om te schreeuwen en om anderen te bezeren,

maar om Hem groot te maken, om Hem te eren!’

En ach, ook hier gaat het dan vaak weer fout, want de één wil het zus, en de ander zo; dit lied is wel goed, het andere niet; en het moet steeds groter en exclusiever, want de Heere verdient het mooiste, het beste.
En auwtsch … die zingt toch wel (heel) vals, die kan maar beter wat zachter zingen, of misschien …

Dhr. Steenhuis verteld met betrekking tot het laatste het volgende verhaaltje.
Het gaat over een groep monniken in een klooster die echt zeer erbarmelijk zongen.
Maar op een gegeven moment komt er een monnik bij, een zeer muzikaal man, en die hen heeft leren zingen.
Alle dingen hiervoor had hij meegebracht, alle technieken enz. bracht hij hen bij en het klonk schitterend!
Op een dag kwam er een engel op bezoek en die vroeg hen: ‘Zingen jullie nog wel eens? We horen jullie niet meer.’
…

Een verhaaltje om eens goed tot je door te laten dringen, en om de boodschap die erin ligt binnen te laten komen.
‘Zingen jullie nog wel?
We horen jullie niet meer …’

Ik wil zo graag je stem horen!
Ik wil je nog even meenemen naar het laatste citaat dat mijn hart zo raakte in het gedeelte van deze  studie.

‘Als de snaren van je hart gaan trillen voor Mij, dan komt er een heel stukje muziek uit, die precies spoort met Mijn gevoelens.’

Hoe bijzonder zijn deze woorden, en welk een bemoediging, ja, aanmoediging tot zingen ligt hierin, in het bijzonder misschien wel voor hen die zo van zingen houden en het misschien niet zo goed kunnen.
We hoeven geen conservatorium te hebben gedaan, zelfs geen zangles te hebben gevolgd, nee, zelfs geen toonvaste stem te hebben om te zingen van en voor onze Heer Jezus.
Want het hart dat vol liefde is voor Hem, dat trilt van verlangen naar Hem, om Hem te eren, te loven en te prijzen om wie Hij is, komt bij Hem binnen als de mooiste stem, simpelweg omdat dit hart zich op dezelfde golflengte bevindt als Jezus.

‘Zingen jullie nog wel eens? We horen jullie niet meer?
Och, die monniken mochten dan misschien eerst erbarmelijk slecht zingen, maar de hemel hoorde en genoot van hun gezang, want hun harten waren verenigd in Jezus.
Maar hoe mooier ze leerden zingen, hoe meer ze hun hart verloren, tot ze uiteindelijk alleen nog maar bezig waren met het zo mooi mogelijk zingen, in plaats van gericht te zijn op Degene voor hun lied was.

Als de snaren van je hart gaan trillen voor Hem, zing dan zoals je nog nooit eerder gezongen hebt
en maak je geen zorgen of het wel mooi genoeg is, zuiver of vast van toon, want een hart dat zingt uit liefde voor Hem, wordt één met dat van Hem.


👉 Serie - Studies uit het Bijbelboek Hooglied
      Dato Steenhuis
(Even iets naar beneden scrollen tot onder de studies van Bruidegom en Bruid)


dinsdag 23 juli 2013

De hel leert ons de hemel zoeken (2)

Door de warmte schrijf ik niet veel op dit moment; het is te heet op mijn kamertje.
En beneden, waar de twee kids die nog thuis wonen heen en weer lopen, is ook niet echt een optie, daar ik om te kunnen schrijven stilte en rust nodig heb.
Toch wil ik nog even verder gaan op dit onderwerp, daar het niet af is met alleen het vorige schrijven.
Lag het de vorige keer erg op mijn hart lag om te benoemen dat de hel een realiteit is en geen verzinsel, of iets dat God toch niet zou doen, nu verlangt mijn hart naar de hemel.

Mijn gedachten gaan verschillende kanten uit, maar het meest moet ik terugdenken aan een boek van Adrian Plass waar ik jaren geleden in begonnen ben en nooit heb uitgelezen, omdat ik stuk liep op een bepaald stukje over de hemel.
Het boek, een dagboek, heet ‘De ontluiking’ – Gods reddingsplan voor mensen met angst.
(Zie: Boekinfo)
Angst was, ondanks dat ik geloofde, mijn vijand en metgezel.
Met ieder hoofdstuk dat ik las, schreef ik daarna mijn eigen gedachten en gevoelens op en hoopte dat ik iets verder zou komen in mijn strijd tegen mijn angst.
De schrijfblokjes met al mijn gedachten en gevoelens heb ik nog steeds en ik heb het laatste schrijven even opgezocht.
Dinsdag, 18 februari 1997 – Als ik in de hemel ben, zeg me dan …

Het hoofdstukje heet: Hemel op aarde?
Johannes 14:1-6 is het uitgangspunt.

Ik weet niet of iemand van jullie Adrian Plass kent, maar van zijn schrijfstijl houdt je, denk ik, of niet.
Zelf heb ik verschillende boeken van hem in mijn kast staan; ik houdt over het algemeen wel van zijn schrijven.
(Al is het lange tijd geleden dat ik één van zijn boeken heb gelezen, maar goed, dat is wat anders)
Na het tekstgedeelte schrijft hij niet zoals in de rest van het boekje een stukje en een gebed, maar verwoord in een gedicht zijn gedachten en gevoelens, zijn verlangens en hoop.

‘Als ik in de hemel ben,
zeg me dan dat er vliegers zullen zijn …

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan dat ik er vrienden zal ontmoeten in oude Susses-cafë’s vol eikehout …

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan dat er seizoenen zullen zijn waarin de kleuren vliegen …

Als ik in de hemel ben
zeg me dan  …’

Ik moest hiermee gaan nadenken over de hemel, maar ik kon niets verzinnen.
Als ik in de hemel ben, ja, wat dan?
Wat verwacht ik?
Wat verlang ik?
Waar verlang ik naar?
In de kringen waar ik vandaan kom, werd er, in mijn herinnering, niet bepaald over de hemel nagedacht of gesproken, eerder over het andere.
Nog weet ik dat ik vreselijk heb zitten huilen, omdat ik niet in staat was om iets te verwoorden.
Ik kon niet, ik durfde niet …
Hoe  kon je zo denken en schrijven?
Angst om dit soort gedachten en verlangens uit te spreken, op te schrijven, verlamden mij.
Er waren zoveel dingen die ik zo graag zou willen, die ik had willen doen, maar die niet mochten, omdat ze ‘fout/zondig’ waren.
Zoveel dingen die ik niet durfde, uit angst voor wat er kon gebeuren.
En ik heb het boekje weggelegd en ben er nooit meer in verder gegaan.
Toch was ik het nooit vergeten; het bleef in mijn achterhoofd zitten en kwam af en toe boven, totdat het moment dat ik in staat was om mijn eigen versie te schrijven van ‘Als ik in de hemel ben, zeg me dan …’

Als ik mijn schrijven weer lees, komen er tranen, tranen van verdriet om de pijn die ik voel die achter deze woorden zit.
Maar tegelijk zijn er een paar liederen die daarboven staan, die weerklinken in mijn hoofd en mij vreugde geven.

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan, dat ik dansen kan,
dansen op hemelse muziek.
Dansen tot de eer van God.
Vol van intense vreugde en dan …
Doorgaan, zonder angst voor kritiek;
gewoon uiting geven aan mijn liefde voor Hem.

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan, dat er wonderschone gebieden zijn
waar de stilte voelbaar is
en gevoelens van vrede mijn hart overstromen.
Omdat, waar ik ook loop, het altijd veilig zal zijn.
Want dat is iets, wat ik nu zo mis;
een stille, veilige plek in Zijn schepping.

Als ik in de hemel ben,
zeg mij dan, dat er muziek zal zijn
zo wonderbaar mooi,
dat 't mijn ziel tot het diepst beroert.
Zo zuiver, zodat ik niets anders kan
dan Hem loven en prijzen
met een intens dankbaar hart.

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan, dat ik weer uit volle borst
en met een vreugdevol hart,
oprecht en zuiver zingen kan.
Zonder te azen op mijn eer,
maar alleen te zingen tot glorie
van mijn opgestane Heer.

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan, dat er uitgestrekte,
groene weiden zijn.
Zonovergoten bossen en stranden,
waar ik lopen en genieten kan
zonder angst, zonder beven.
Enkel en alleen dicht bij U zijn.

Als ik in de hemel ben
zeg me dan, dat er dieren zijn,
leeuwen, tijgers, dolfijnen, de olifant.
Van alles waar ik in vrede tussen leven kan;
ze vol bewondering aan kan raken.
Oh Heer, dan zal ik weten,
ik ben thuis in mijn eeuwig Vaderland.

Als ik in de hemel ben,
zeg me dan, dat ik met volle teugen
van al deze dingen genieten kan.
Overlopend van dankbaarheid.
Met een hart vol van intense vrede,
omdat het gedaan is
met elke vorm van strijd.

Als ik in de hemel ben.....
Heer, ik verlang ernaar
om voor altijd
bij U te zijn.

Als ik in de hemel ben, zeg me dan …

Mijn gedachten gaan terug naar mijn momenten van zwaarmoedigheid en waarin ik God vroeg om mij weg te nemen uit dit leven en dat het kleinste plekje in het uiterste hoekje van de hemel genoeg zou zijn.

De zwaarte van het leven, alle problemen, moeiten en zorgen, doen mij soms hevig verlangen naar de hemel, naar de tijd dat ik voor altijd bij Hem mag zijn.
Als we in de gemeente liederen over de hemel zingen, lopen doorgaans de tranen over mijn wangen.
Wat kan ik dan verlangen naar die tijd …

‘Er is een dag, waar al wat leeft al lang op wacht,
 een dag van blijdschap,
als heel de schepping wordt bevrijd …

Spoedig zullen wij Hem zien en voor altijd op Hem lijken …

 Nooit meer tranen nooit meer pijn,
 want wij zullen met hem leven in zijn nabijheid …’

Maar
het lied zegt nog meer:
‘Dus kijk omhoog en zie wat nog verborgen is,
 maar wat beloofd is, dat blijft in alle eeuwigheid.
 En als je lijdt, weet dat het maar voor even is.
 Als Jezus terugkomt, deel je in zijn heerlijkheid …’

Meer en meer leer ik te kijken naar wat beloofd is.
Meer en meer leer ik dat het lijden maar voor even is, al blijft het soms moeilijk en willen mijn gevoelens mij een andere kant op meenemen.
Doorgaan, me richten op wat ik mag doen voor Hem, te midden van alles.
Zien op wie Hij is en daardoor kracht ontvangen, sterker worden, standvastiger.

De hemel …
Jezus is mijn plaats daar aan het voorbereiden, klaarmaken.
Daar wacht mij een erfenis; onvergankelijk, onbederfelijk, onaantastbaar.
Daar zal God Zelf al mijn tranen drogen.
Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen pijn ...
Alles zal Hij nieuw maken …

Het is een beetje een ander stukje geworden dan ik voor ogen had.
Soms gebeurt dat, maar ik geloof, dat God ook daarin de leiding heeft.
Voor mijzelf, om mij te helpen, te leren, dankbaar terug te zien, …
En misschien ook voor jou.
               Opgename mannendag in Assen
 

Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de Boom des levens, die midden in het paradijs van God staat.

Wie overwint, zal zeker geen schade toegebracht worden door de tweede dood.

Aan wie overwint, zal Ik van het verborgen manna te eten geven, en Ik zal hem een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt.

En wie overwint en wie Mijn werken tot het einde toe in acht neemt, hem zal Ik macht geven over de heidenvolken.
En hij zal hen hoeden met een ijzeren staf – zij zullen als kruiken van een pottenbakker verbrijzeld worden – zoals ook Ik die macht van Mijn Vader heb ontvangen.
En Ik zal hem de morgenster geven.

Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

Wie overwint, hem zal Ik tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan. En Ik zal de Naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel, bij Mijn God vandaan, en Mijn nieuwe Naam.

Wie overwint, zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb.

Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Zie, Ik kom spoedig.
Houd vast wat u hebt,
opdat niemand uw kroon zal wegnemen.

 (Openbaring 2:7b, 11b, 17b, 26-28; 3:5,12,21;
  Openbaring 3:22 (+ 2:7a,11a,17a,29; 3:6,13);
  Openbaring 3:11)

donderdag 13 juni 2013

God leidt; gelukkig wie ...

Bedenk hoe groot en indrukwekkend de HEER is ...    (84)

Mijn hart verlangt naar Zijn aanwezigheid, maar voor ik mijn Bijbel opensla en stil wordt, loop ik naar beneden voor een kopje koffie.
Ook ga ik nog even naar het toilet, waar mijn oog valt op één van de vele ‘kaarten’ die daar op mijn prikbord hangen.

‘Mijn ziel verlangt naar U,
omdat U mijn ziel gereed maakt om U te ontvangen,
door dat verlangen Zelf aan te wakkeren

Augustinus

Ik neem het mee naar boven naar mijn kamertje, terwijl ik de woorden tot me door laat dringen.
Ze raken me, deze woorden, en mijn gedachten gaan tegelijk ook naar een paar prachtige liederen die er zijn, en gaan over onze ziel, over het verlangen van onze ziel.

Terwijl ik de woorden ‘Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij’ als het ware hoor in mijn hoofd, komt juist Psalm 146 op in mijn gedachten.
Ik zoek hem op en lees wat er staat.

‘Eer aan de HEER!
Prijst de Heer, mijn ziel, ja, de Heer wil ik prijzen, mijn leven lang, voor mijn God wil ik zingen, zolang ik besta.’ (vers 1,2)

Ik verbaas mijzelf soms met mijn eigen gedachtekronkels; zoals die alle kanten op kunnen gaan.
Tegelijk en door elkaar lijkt het soms wel.
Ik besluit de Psalm maar eerst eens te lezen en ik lees hem alsof ik één van mijn gedichten voordraag en geniet daarbij van deze mogelijkheid om het zo hardop te kunnen doen, omdat er niemand thuis is.
De woorden dringen immers zoveel dieper door dan wanneer ik ze zachtjes, of in mijzelf, lees.

Met het lezen van deze Psalm ervaar ik dat God mij naar deze woorden geleid heeft.
Van mijn verlangen naar even bij Hem te zijn, Zijn woorden tot mij te nemen, naar de woorden van Augustinus op het kaartje dat in mijn toilet hangt, vervolgens naar deze naar deze Psalm waardoor ik bij deze bemoediging terecht kom.
(En dat terwijl dit kaartje er eigenlijk alweer zolang hangt, dat ik eigenlijk nodig weer wat anders op moest gaan hangen)

‘Eer aan de HEER!
Prijst de Heer, mijn ziel, ja, de Heer wil ik prijzen, mijn leven lang, voor mijn God wil ik zingen, zolang ik besta.

Vertrouw niet op machthebbers, het zijn maar mensen, zij kunnen je niet redden.
Als de mens zijn laatste adem uitblaast, dan wordt hij weer stof, dan vergaat hij en met hem zijn plannen.

Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jacob, alles verwacht van de HEER, zijn GOD, van Hem die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat erin leeft, van Hem die trouw blijft, altijd.

Want de HEER is het die recht verschaft aan wie onderdrukt worden, die te eten geeft aan wie honger lijden, die de gevangenen bevrijdt, de blinden ziende maakt, opricht wie gebogen gaan.
Wie Zijn wil doen, heeft Hij lief.

De HEER is het die vreemdelingen beschermt, wezen en weduwen tot steun is.
Maar wie van Hem niet willen weten laat Hij dwalen.

De HEER, uw GOD, is koning, o Sion, voor altijd, van geslacht op geslacht.
Halleluja, mijn ziel looft de HERE!’

Als ik aankom bij ‘Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jacob, alles verwacht van de HEER, zijn GOD, …,’ en de volgende verzen, lijken de woorden van Augustinus zich te vermengen met de woorden van God.
‘Mijn ziel verlangt naar U, omdat U mijn ziel gereed maakt om U te ontvangen, door dat verlangen Zelf aan te wakkeren.’

U maakte mijn ziel gereed om deze woorden van U te ontvangen.
U wakkerde het verlangen in mijn ziel naar U aan.
U hebt woorden van leven, van bemoediging.

‘Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jacob, alles verwacht van de HEER, zijn GOD, …’
Ja, ik mag mij gelukkig prijzen omdat ik mijn steun zoek bij U, want U bent trouw!
U doet wat U belooft.
U verschaft recht!
Geeft te eten, bevrijdt, maakt ziende!
U richt op wie gebogen gaan!
U hebt lief wie Uw wil doen; U wakkert in hen het verlangen naar U aan om hen zo Uw woorden te kunnen geven.
Woorden die leiden, maar ook troosten en bemoedigen.
En onze ziel vindt pas rust als zij bij U komt; onze ziel wordt pas verkwikt en opgericht als zij Uw woorden indrinkt.
En hoe meer we door Uzelf worden gevoed en getroost, bemoedigd en opgericht, hoe meer onze ziel weer gaat verlangen naar U, en naar Uw woord.

Verlangen en stil worden; naderen tot Zijn troon van genade.
Zijn woorden lezen en binnen laten komen tot in het diepst van je binnenste, waardoor je wordt opgericht door te zien op wie Hij is en wat Hij heeft gedaan.
En vervolgens je ziel aan sporen tot lofprijs Omdat Hij het waard is dat Zijn Naam wordt verheerlijkt.





>> 'As the deer pants longs for water, my soul cries for You ...
      ... My soul longs for You, my soul longs for You ...

>> ‘Stil, mijn ziel wees stil, en wees niet bang voor de onzekerheid van morgen …
      God, U bent mijn   God, en ik vertrouw op U en zal niet wankelen …’

>> ‘Looft de Heer, o mijn ziel. O mijn ziel, prijs nu Zijn heilige Naam! 
      Met meer passie dan ooit; o mijn ziel, verheerlijkt Zijn heilige Naam!’





Dank U wel, vader, dat U mij liefheeft.
Dank U wel, dat Uzelf het verlangen naar U in mijn ziel aanwakkert en mijn ziel er ook klaar voor maakt om U te kunnen ontvangen.
Mijn ziel verlangt naar U, naar te ontvangen van U, alles wat U voor mij heeft.

- Amen -

Mijn ziel verlangt naar Hem
als dorstig land naar water,
als een hert dat naar water schreeuwt.
Mijn ziel komt pas tot rust
als zij haar rust gevonden heeft bij Hem.
Mijn ziel wordt pas opgericht
als zij wordt gevoed
door te luisteren naar Zijn stem.

Word stil, mijn ziel, word stil
en wacht op de Heer.
Word stil mijn ziel, word stil.

Laat God je klaarmaken
om te Hem
kunnen ontvangen.
Wees stil, mijn ziel,
want Hij is het die jou vult
met dit verlangen.

Loof de Heer, mijn ziel, loof de Heer
en zing van Zijn heilige Naam.
Loof de Heer, mijn ziel, loof de Heer!

Prijs Hem om de hulp die Hij is;
de troost en redding,
de bevrijding die Hij geeft.
Loof Hem, mijn ziel,
om Zijn liefde en Zijn trouw.
Prijs Hem, die eeuwig leeft.

zondag 18 november 2012

Verlangen naar God

Nog eentje van mijn oude Blog.


5-05- 2012
Na een drukke week, het is immers vakantie, geniet ik van de stilte van deze ochtend.
Het huis is in diepe rust.
Slechts één kind is er nu thuis en die ligt nog op één oor.
Manlief is aan het werk en ik drink de stilte en diepe rust in.
Met die rust en stilte is er gelijk ook het verlangen om te schrijven en ik pak mijn Psalmenreflectiedagboek er weer eens bij.
Het is alweer een hele tijd geleden dat ik daarin gekeken heb en mijn gedachten heb laten gaan over de teksten uit de Psalmen die daarin staan.
Mijn hand stopt bij 'Verlangen naar God.'

'Beter één dag in Uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten ...
Ik roep tot U, Heer: 'U bent mijn schuilplaats.'
Wijs mij Uw weg, Heer, laat mij wandelen op het pad van Uw waarheid,
vervul mijn hart met diep ontzag voor Uw Naam.
U, Heer, mijn God, zal ik loven met heel mijn hart, Uw Naam voor eeuwig prijzen.
Ik strek mijn handen naar U uit ...'


Heer, dicht bij U zijn,
iedere dag van mijn leven,
is mijn diepst verlangen.
Dagelijks te wandelen,
met diep ontzag voor U
en een hart vol lofgezangen.

Wijs mij Uw weg, o Heer,
opdat ik het pad
van Uw waarheid zal gaan.
U wil ik eren en dienen
al de dagen van mijn leven;
U is mijn hart toegedaan.

Mijn handen strek ik uit naar U,
omdat ik van U alles,
ja, alles verwacht.
U bent mijn schuilplaats,
mijn al in al,
mijn Bron van Liefde,
mijn Hoop en mijn Kracht.

- Amen -

Als ik deze woorden aan het papier heb toevertrouwd, komt de vraag in mij op of ik werkelijk wel zo naar God verlang?
Soms is het schrijven ook een worstelen met woorden om iets op papier te krijgen, niet altijd is het makkelijk om wat je voelt, wat er in je leeft in woorden om te zetten en soms is er ook niet echt een gevoel bij, het gevoel dat 'erbij zou horen.'

Verlang ik werkelijk zo naar God?
Wil ik echt Zijn wegen wel gaan, Zijn pad van waarheid bewandelen?
Is Hij echt mijn al in al, is mijn hart Hem echt toegedaan?
Voel, ervaar ik die diepe hunkering?

Terwijl ik deze woorden schreef, was er geen diepe hunkering, geen diep verlangen, maar eerder een worstelen met de woorden uit de Bijbelteksten om alles op papier te zetten.
Maar als ik vervolgens mijn gedachten over deze dingen laat gaan en mezelf de vragen stel, komt er een diep gevoel van innerlijke rust en vrede in mijn hart.
Niet altijd is er een uitbundige uiting van verlangen naar God, soms is er gewoon dat stille zeker weten dat je niets anders wil dan Hem volgen, dienen en eren.
Ik besef weer eens opnieuw dat gevoelens bedriegelijk zijn, dat ik niet afhankelijk ban van wat ik voel om deze dingen te kunnen schrijven, maar dat ik het kan en mag omdat het diep in mijn hart verankerd is.

Ja, Hij is mijn al in al, mijn alles.
Naar Hem verlangt mijn hart.


Naar: Ps. 84:11; Ps. 142:6; Ps. 86:11,12; Ps. 143:6