maandag 24 augustus 2026

Kom maar bij Mij! (4)

Jouw Tijd is in Gods hand!
Het einde van de rollercoaster ...


Het wordt zondagmorgen, we zijn nu bijna twee weken verder dan toen alles begon met je vingers.
Ik ben 's morgens doorgaans vroeg wakker in het ziekenhuis, het blijft toch ongewoon en met alles dat speelt ...
Maar er is ook genoeg rust en stilte, ze komen maar heel af en toe even kijken en zo heb ik ook in het ziekenhuis tijd voor mijn Stille Tijd.
Wel anders dan thuis, maar toch, gewoon even een momentje met de Heer is zo belangrijk om vol te houden.
Deze morgen is het wel een beetje anders, want ik kan bijna niet meer.
Het hele gebeuren trekt een wissel op mij, en ik weet niet goed meer hoe er mee om te gaan.

Deze week las ik het boekje 'George Müller - De man van Geloof en Gebed'; ik heb het vorige maand voor mijn verjaardag gekregen, en vanmorgen trok ik de stoute schoenen aan om te bidden in de lijn van hoe deze man leefde, namelijk Bidden en Verwachten.
En ik bid God dat er vandaag een kentering in de situatie zal komen, want dit wordt me teveel.
Het niet goed kunnen peilen welke kant het opgaat, wat de artsen zeggen tegenover wat ik zag en zie; ups en downs, de rust, het genieten als hij buiten was en met de ijsklontjes ...
Ik bid mijn hemelse Vader dat Hij vandaag een kentering gaat geven, hetzij ten goede, dat de artsen zelf zeggen we gaan toch nog weer wat doen, of ten slechte, waardoor ik los zal komen van alle twijfels of we wel de juiste keuze hebben gemaakt, of ik je wel goed heb begrepen.
Want dit steeds terugkerende 'redelijk stabiele' maakt mij onzeker en ik wil niet dat je lijdt.

Breng deze kentering, Abba, vandaag.
Ik verwacht het te zien.
In Jezus' Naam.

Amen

Je krijgt nu met regelmaat ijsklontjes op een stokje, ze hebben ze zelfs met aardbeiensmaak.
Wat ben ik daar blij mee, want om te zien dat je dorst hebt, vind ik verschrikkelijk.
In het begin liet ik het de zuster/broeder doen, ik vond het een beetje eng.
Ik hielp al wel met goed leggen en je mond schoonhouden, maar dit.
Een keer hapte je namelijk het hele blokje in je mond en wat schrok ik daarvan, je had er zo in kunnen stikken.
Och, uiteindelijk toch maar doen, maar ... ik zei je wel dat als je je mond dicht zou doen om het ijklontje heen, ik het weg zou halen en je niets meer zou geven.
Toen dat later een keertje bijna gebeurde en ik zei, pas op of ik ..., moest je lachen en deed je weer netjes wat je gevraagd werd.
Kleine lichtpuntjes in deze donkere onzekere dagen.
Wat geniet je van die ijsklontjes, het is alles wat je nog nodig heb, lijkt het wel.
Wat later op de ochtend gaan we samen nog even naar buiten, een zuster helpt ons even.
Helaas kan het niet zo lang, want de zon haalt ons in, maar wat genoot je opnieuw van het even buiten zijn, van het briesje.


Zondagavond zijn we met z'n tweetjes.
's Middags zijn mijn broertje en zijn vrouw nog even geweest, en ook de kinderen lopen in en uit.
Het is stil.
Ik hoor je onregelmatige ademhaling met stops, en ik zit stilletjes bij je met mijn boek.
Je zoekt mijn hand, steeds weer.
Als die te heet wordt, laat je hem los, om hem vervolgens weer snel te zoeken en vast te houden.
Je bent er nog, en toch ook niet meer helemaal.
Een enkele keer doe je je ogen open, maar je blik oogt leeg.
's Avonds, maar vooral in de loop van de nacht glijd je langzaam steeds verder weg.

Dank U, Heer, ik weet genoeg en het is goed.


Het is maandagmorgen rond half zes als de nachtzuster even om een hoekje kijkt.
We raken aan de praat over jou, over je werk, je ziek zijn, enz., terwijl ze er een stoel bij pakt en er rustig bij komt zitten.
Voor ze weggaat legt ze je hoofd nog een beetje goed, maar we merken dat je het niet fijn vindt, voor het eerst trek je een grimas waarbij we zien dat het niet prettig is, of misschien zelfs zeer doet.
De zuster zegt me dat ze in het rapport zal aangeven dat ze je voor het wassen eerst maar wat morfine moeten geven, zodat je met het wassen en goedleggen geen pijn zult hebben.
Als ze weg is, pak ik wat spullen, ga naar de badkamer en gooi wat water in mijn gezicht en haal een borstel door mijn haar.
Ik haal mijn eerste koffie, mijn tweede en mijn derde ...

Ze geven je inderdaad wat morfine, via een spuitje, en er wordt een nieuw vlindertje gezet, want die er zat, zit dicht.
Je bent er wel, en je bent er niet.
Op de prik reageer je wel wat, je ogen gaan af en toe even open, maar je blik is leeg; je lijkt niets meer te zien, geen herkenning.
Michael komt nog even, en opnieuw zoek je iemand om vast te houden, Michael eerst, want die zit naast je, en daarna die van mij als ik zijn plaats weer inneem.
De dokter komt, dezelfde als afgelopen vrijdag, zij is iets optimistischer over jouw algehele toestand in waarnemen, maar doet geen uitspraken.
Lijden hoeft je in ieder geval niet meer, ik mag zo om meer morfine vragen, maar je bent zo rustig dat ik denk dat je geen pijn hebt.
Zo meteen komt Rachelle weer, en kan ik even naar huis.
Ik ben niet bang dat je wegglipt als ik er niet ben, vrede is wat ik ervaar.

Als ik dit schrijf is het één uur 's middags, en de zon komt de kamer binnen, en verlicht haar.
De volgende tekst komt in mijn gedachten:
'Want U doet Uw lamp schijnen, Heere, mijn God doet mijn duisternis opklaren.'
Psalm 18:29


Vanaf hier stopt het schrijven in mijn telefoon; ik heb verder niet meer de kans gehad dingen bij te houden, zo snel ging alles ineens.
Ik ben naar huis gegaan, om even te douchen en om te kleden en even bij ons hondje te zijn, want ze at bijna niet meer.
Het zal ergens rond half vijf/vijf uur zijn geweest als ik weer terug ben in het ziekenhuis.
Ergens deze week op een stil moment heb ik nog een gedicht geschreven, alleen het laatste coupletje ontbreekt, want dat kan ik pas schrijven als je Thuis bent.
Ik lees en herlees het met regelmaat; ja, dit is zoals het was en is; en dit is wat ik ook met jouw begrafenis ga voordragen.

Onze dochter is weer naar huis gegaan, maar wel met mijn belofte dat als er ook maar iets verandert, ik haar zal bellen.
Ik ga bij je zitten, en zet nog wat muziek aan, maar er komt geen reactie meer, wel verandert je ademhaling onder het nummer; de cheyne stokes is weg, het wordt dieper en langzamer.
Ook Joël komt nog even.

Wat later komt de broeder even om een hoekje kijken; hij is er voor de derde avond, en dat is fijn, want zo herkent hij ook de verandering.
En dan komt het einde van deze rollercoaster dichterbij.
Opnieuw heb je koorts, je krijgt een paracetamolzetpil, maar deze doet niets, de koorts is hoger in plaats van lager.
Er worden natte koude handdoeken over je heen gelegd, met een ventilator erbij.
Ook dit helpt niet, de koorts is nog weer hoger.
Ze gaan contact opnemen met de arts over een morfinepomp.
Het antwoord laat nog even op zich wachten, maar ze komen wel terug om bij je te kijken, en de koorts is inmiddels weer boven de 40.
Onze dochter, die ik gebeld had is er inmiddels ook.
Je gaat inderdaad een morfinepomp krijgen, maar meer kunnen ze niet meer voor je doen.

We besluiten om het je zo comfortabel mogelijk te maken door het bed te verschonen en je op je andere zij te leggen.
De pomp wordt aangesloten, zij gaan weg, en wij zitten bij je, wachtend tot de Heer zegt: 'Kom maar bij Mij.'
In het uur dat volgt verandert je ademheling, langzaam maar toch ook duidelijk.
Een teug en stilte.
Nog een keer, en nog een keer ..., langzaam zien we het leven uit je wegglijden.
Dan is het stil.
Je bent Thuis.

Bram Klapwijk
Haarlem, 16-10-1960  -  Ede, 10-8-2026

zondag 23 augustus 2026

Onze tijden zijn in Uw hand ... (3)

Het einde van de rollercoaster  nadert ...


Van slapen komt deze nacht niet veel, om maar te zeggen helemaal niet.
 Ik heb het wel geprobeerd, maar je hoest behoorlijk en er zijn flinke apneus.
Toch ben ik er nu niet meer bang voor, verontrust het mij niet meer, diepe rust en vrede is over mij gekomen en ik laat alles komen zoals het is.
De drang om over je borstbeen te wrijven zodat je weer gaat ademhalen is weg.
Het is goed.

Deze nacht pak ik mijn telefoon erbij om even van alles en nog wat te noteren, want het is werkelijk één grote en lange rollercoaster met ups en downs.
Ik noteer wat ik nog weet en voor de rest lig ik naast je, of ik zit in de stoel bij het raam en kijk de nacht in.
Maar ook schrijf ik een gedicht, mijn manier van woorden geven aan, van een plaatst geven aan wat er gebeurt, van verwerken ...

Het is stil.
Het geruis van de ventilatie klinkt.
Je ademhaling wisselt
en toch, mijn hart zingt.

U bent mijn schuilplaats, Heer,
U vult mijn hart steeds weer ...
Ja, met rust en vrede, en dankbaarheid
voor wat U gaf te midden van de strijd.

Het einde nadert.
Nog even samen een stukje ervan gaan.
Tot ik je los moet laten
zodat je aan Zijn hand verder kunt gaan.

Het is stil.
Ik weet niet hoeveel tijd Hij nog geeft.
Ik wacht
op hoe Hij jouw kleed weeft.

Hij is een God van wonderen,
maar zelfs als Hij het niet doet,
kijk ik omhoog en zeg met heel mijn hart:
Heer, wat U doet, is goed!

Onze tijden zijn immers in Uw hand!
En ik vertrouw op U, mijn Heer.
Maak zo deze weg
tot Uw glorie en eer!

- Amen -

Rond kwart voor vijf  krijg ik een appje van een lieve vriendin die niet kon slapen en wat thee ging zetten en mijn appje van 's nachts zag.
We appen even wat over en weer en ze deelt de volgende Bijbeltekst met mij om over jou uit te spreken:
'Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in Eeuwigheid.'
Ps. 73:26
 Hoe bijzonder, want de woorden die vandaag met mij mee reizen in mijn hoofd zijn: 'Mijn tijden zijn in Uw hand.'
Ps. 31:16a
Hoe prachtig past dit bij elkaar!

Rond kwart voor zes krijg je van de nachtzuster wat morfine, in de hoop dat het je ademhaling ten goede komt.
Al met al ben je de nacht toch redelijk goed doorgekomen.
Je pruttelt wel veel meer, en je begint ook af en toe te kreunen, maar verder ...


De nieuwe dag begint, donderdag 6 augustus.
Je bent net lekker opgefrist, dat is wel fijn na zo'n nacht.
Je bent ook niet alleen wakker, maar je hoort en begrijpt ons ook, alleen het praten ...
Ik weet niet meer wat er gezegd werd, maar je moest er echt om lachen, een duidelijk bewijs van dat je er nog bent.
Wat deed dat goed!
Het was echt fijn om je te zien lachen, hoe kort ook.

Vandaag is een dag vol met bezoek.
Je moeder komt, ze is gebracht door iemand.
Als ze de kamer binnenloopt naar je bed toe zegt ze: 'Ik volg je snel, jongen, ik volg je snel.'
De tranen springen in mijn ogen, zo diep word ik geraakt door deze woorden.
Het hoort toch ook niet; zij net 93 jaar geworden, en haar zoon nog maar 65 jaar.
Even later komt je oudste zus en haar man, je andere zus en haar man zijn in Engeland maar komen morgen terug.
En je broer in Frankrijk, ach, wat heeft hij het moeilijk met alles; ja, jullie hadden een goede band, maar even zo maar heen en weer uit Frankrijk lukt niet.

Wat was het fijn toen ze in de loop van de donderdag je mond gingen schoonmaken, het maakte dat je rustiger werd, minder pruttelde, en ook het hoesten werd erdoor minder.
Hierdoor had je een rustige nacht, en kon ook ik eindelijk even slapen.


Vandaag, vrijdag, heb ik het heel erg moeilijk.
Je had een rustig nacht en was ook 's morgens heel rustig, waardoor ik me toch weer af begon te vragen of we nu wel de juiste keuze hadden gemaakt.
Alles is stopgezet omdat het zo slecht ging, maar nu, nu je een rustige nacht hebt gehad en en vanmorgen toch ook wat reageert en zo rustig bent ...
Ben blij als de arts straks komt en ik het bij haar voor kan leggen.

Maar ik krijg die ochtend ook een heel naar telefoontje, ik houd alles daarover voor mezelf, maar ik ben er compleet overstuur van, als ook heel erg boos.
Ik heb het al zo moeilijk en dan dit er nog bij ...
Wat ben ik dankbaar voor het ontzettend lieve personeel op die afdeling, er is altijd iemand bij wie je terecht kan, je hart kan luchten, die echt de tijd neemt zodat ik mijn verhaal kan doen.
En wat is dat nodig na dit telefoontje.
Nee, het is niet bepaald fijn als er dingen gezegd worden die je het gevoel geven dat als Bram nu dood gaat het in wezen jou schuld is, want ...
Nee, het is niet zo gezegd, en is ook niet zo bedoelt, dat weet ik, maar het neemt niet weg dat als je je in een situatie bevindt als waar ik mij bevind, dingen dubbel en dwars binnenkomen en een vlucht nemen.
Wat zeggen we soms met de beste bedoelingen iets, maar hoe verkeerd kan het uitpakken, en het iemand onnodig moeilijk maken.


Dan is het gesprek er met de arts en ze geeft aan dat je echt heel erg ziek bent.
Je bent goed wakker, maar opnieuw hebben we het over zo doorgaan of  ...
Och, wat vind ik het moeilijk, ik kan toch zo'n keuze niet maken?
Geen medicatie meer, maar ook geen vocht of voeding ...
Je huilt, en ik huil mee.
Wat wil jij, Bram, wat wil jij?
De dokter geeft aan dat er zoveel schade is, dat mocht je er doorheen komen, er weinig herstel zal zijn en je je dagen door zal brengen in een verpleeghuis, half verlamd, en ook nauwelijks kunnen pratend, en wie weet zelfs nog erger.
Uiteindelijk geef je door middel van je duim omhoog aan dat je dat niet wilt, en zo valt opnieuw en nu ook definitief, de beslissing om niets meer te doen.
Maar wat is het moeilijk, wat valt het me zwaar.
Ik stuur zonder omhaal van woorden een kort appje door aan iedereen met deze keuze.

In de loop van de middag komt één van onze jongens nog even met zijn vriendin en twee van de kinderen.
Ze zijn zwaar onder de indruk en hebben het moeilijk.
Maar je bent er nog steeds, en je ziet hen, en je steekt je hand naar hen uit en om de beurt pakken ze je hand vast.
Het beeld wat me het meeste bij blijft is van een meisje dat heel stilletjes naar haar opa kijkt terwijl er stille tranen over haar wangen glijden.
Geen woord, geen enkel geluid, geen gesnif, alleen maar stille tranen die langzaam naar beneden glijden.
Mijn hart breekt ...

Onze oudste zoon is weer terug van vakantie en komt ook nog even.
'Mag ik een Bijbeltekst op het bord schrijven?', vraag hij.
Uiteraard mag dat, hoe zou ik daar nee op kunnen zeggen, en hij begint te schrijven:
'Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart, dan is God de rots van mijn hart en voor eeuwig mijn deel.'
Mijn hart springt op, wauw, hoe bijzonder, dezelfde tekst als die een vriendin de vorige dag met mij deelde.
De Heer is erbij, bij jou, bij mij.
Och, ervaar ik dit al niet vanaf dat ik hier ben met jou, dat de Heer er is.
Ook terwijl ik dit aan het schrijven ben, zien mijn geestelijke ogen een plafond van vleugels, en onder mij ervaar eeuwige armen die mij-ons dragen.
Het is misschien vervelend voor sommige mensen, maar ik leef deze dagen in een bubbel, jij, ik en de Heer.
Er is geen ruimte voor iets of iemand anders, dan eigen.
Ja, de appjes en kaarten, alle reacties van mensen die voor ons bidden, ze zijn geweldig; misschien is het juist daarom wel zoals het is.




De zaterdag breekt aan, 8 augustus.
Na opnieuw een rustige nacht gaan we weer een dag in.
Ik houd mijn Stille Tijd, en als ik met jou een lied aan het luisteren ben dat ons allebei emotioneel raakt, komen je zus en zwager, die in Engeland waren, binnen.
Op je broer uit Frankrijk na, heeft nu iedereen afscheid van je genomen, ook mijn twee broers zijn deze week gelukkig nog geweest.
Eén van hen bleef wat langer zodat ik even naar huis kon; hoe kostbaar is het om familie te hebben en goede vrienden.
Maar nog meer telt het spreekwoord: een goede buur is beter dan een verre vriend, want och, hoe ontzettend lief, onze zijbuurvrouw zorgt al al die tijd voor ons hondje.
Uitlaten, eten geven, even bij haar zitten, met haar spelen ...
Hoe kostbaar!

Als ik even naar huis ben, word je door je dochter en een zuster naar beneden, naar buiten gebracht.
Ik zie de foto thuis binnenkomen en zie hoe je geniet; och, wat houd jij van buiten, van de natuur, van ...

Wat ik deze dag echt moeilijk vind, is dat je dorst begint te krijgen en je niets mag/kan drinken.
Gelukkig komt er 's avonds iemand met de oplossing, ijsklontjes op een stokje.
Wat geniet je daarvan zeg!
Maar het komt ook je ademhaling en de slijmvorming ten goede, je hebt er daardoor duidelijk minder last van.
Je wordt weer goed gelegd voor de nacht en je geeft heel duidelijk aan dat je goed ligt.
Het ziet er ook echt comfortabel uit.
Wat moet ik toch, opnieuw bekruipt mij het gevoel dat ik misschien toch iets verkeerd doe.
Hoe ziek ben je werkelijk?
Je ademhaling is nog steeds cheyne stokes, niet normaal en dat zegt ook veel, maar voor de rest ...
Aan de andere kant, zo verder, opgesloten in jezelf, want je kunt niets meer zeggen en nauwelijks meer iets duidelijk maken, zwaar gehandicapt in een verpleeghuis ...


O Heer, toon mij ...
Genees en richt op, of laat het verslechteren en haal hem thuis.


In Uw handen, Heer, in Uw handen ...
Want in Uw handen zijn onze -jouw- tijden.

zaterdag 22 augustus 2026

Mijn tijden zijn in Uw hand ... (2)

Vervolg van de rollercoaster ...


Het is zaterdag 1 augustus, ik ben vrij vroeg wakker en kan niet meer slapen.
Om half tien ( liever niet eerder stond in de folder) bel ik de afdeling en hoor dat je een rustige nacht hebt gehad.
Tussen de middag ga ik naar je toe.
Ze helpen je in een stoel en ik help je met je eten, wat inmiddels op gemalen staat, omdat ze niet goed kunnen inschatten hoe het met je slikken gaat; zelfs drinken mag je alleen met verdikkingsmiddel.
Arm mannetje van mij, je bent zo'n lekkerbek en dan nu ...

We hebben het er allebei moeilijk mee, wat gaat dit worden, waar gaat dit heen?
Waren het maandagmiddag alleen nog maar je vingers vanaf de middelste gewrichtjes, nu gaat het naar je hele arm, je spraak, slikken ...
Qua onderzoeken doen ze verder even niets, 't is weekend en vakantie.
Dit vind ik wel een beetje vervelend, maar ja ...

Op zondag vind ik dat je spraak nog verder achteruitgegaan is, en wat is dat moeilijk voor ons allebei.
Voor jou omdat je weet wat je zeggen wilt en het lukt gewoon niet goed, en voor mij omdat ik je zo graag wil verstaan, en dat lukt mij gewoon niet goed.
Ook je arm raakt steeds verder verlamd.
Toch ga je 's middags naar een twee persoonskamer, je mag van de 24-uurs kamer af.

's Avonds ga ik met één van onze jongens naar het ziekenhuis, maar tijdens het bezoekuur gaat het ineens helemaal mis.
Een mega hoestbui, even later gevolgd door een epileptisch insult.
Koorts die oploopt tot boven de 40.
Een thoraxfoto die een longontsteking laat zien.
Welke kant gaat dit op?
Ik bel alle kinderen en ze komen.
Uiteindelijk eindig je die avond op de IC, zodat ze je goed in de gaten kunnen houden.
Naast anti-epileptica, krijg je ook antibiotica.
Uiteindelijk lijkt alles weer vrij stabiel, maar wat zijn we geschrokken; ik dacht echt dat ik je die avond zou verliezen.
Om de beurt mogen we nog even met z'n tweeën bij je op de IC.
Je bent half bij, half weg, maar toch hebben we je nog even gedag gezegd en de belangrijkste woorden: ik hou van je.
Onze oudste, die van zijn vakantieadres was gekomen, gaat met mij mee naar huis en slaapt weer een nachtje in zijn ouderlijk huis.


De volgende dag gaan Michael en ik samen 's morgens weer naar het ziekenhuis; je bent nu ook aangesloten op sondevoeding.
Eigenlijk zit je er na alles wat gisteravond gebeurd is, best goed bij, het is nauwelijks voor te stellen dat je er gisteravond zo slecht aan toe was.
De medicijnen slaan schijnbaar goed aan, zo dankbaar voor!
Wel gaat het praten erg moeizaam, maar beetje bij beetje komen we er toch uit, en zo was het goed om even met z'n drieën te zijn.
Dan gaat onze zoon terug naar de camping, en ik rij terug naar huis, en ga 's avonds ga ik ook nog even.
Jij blijft uit voorzorg nog een nachtje op de IC.


Als ik dinsdagmorgen weer bij je kom, ben je erg moe, ik vind je eigenlijk een beetje minder dan de dag ervoor.
Wat later komt de arts bij ons zitten; tijd voor een indringend gesprek.
Ze hebben een gevaarlijke bacterie gevonden, en zijn direct overgestapt op een andere antibiotica, eentje die daar het beste geschikt voor is.
Het blijkt de zeer zeldzame listeria bacterie te zijn, voor gezonde mensen geen risico, maar voor zwangere vrouwen, oude mensen en mensen met een verminderde weerstand heel gevaarlijk.
Nou ja, dat laatste klopt wel bij jou.
Ze vertellen ons dat ze ook de GGD in kennis hebben moeten stellen, want dat ze dit verplicht zijn met dit soort dingen, en dat ik daar later op de dag ook nog door word gebeld.

Dan komt het meest confronterende.
Als er weer wat gebeurt, moeten ze dan wel of niet reanimeren?
Hoe moeilijk het ook is voor jou om te praten, dingen te zeggen, de arts is zeer geduldig en samen komen we er uit.
Je wil dit wel, want er is nog zoveel dat je wil doen, wil zeggen.
Het is voor jou duidelijk nog niet klaar.
Daarna mag je terug naar de afdeling en ze leggen je over in een ander bed.
Voordat we wegrijden, legt een zuster haar hand op je arm en zegt: 'U bent een lieve man'. 
Deze lieve woorden maken je aan het huilen, en ik doe op de achtergrond zachtjes mee.

Je spraak wordt echt iedere dag minder; je arm is nu volledig verlamd en 's avonds vind ik je echt minnetjes.
Een zuster vertelt mij dat ze ook nog een infectie hebben gevonden bij de stent van het aneurysma.
Ook dat ...
Opnieuw rij ik weer naar huis met gemengde gevoelens.
Ik begin moe te worden, het twee keer op en neer rijden per dag en daar zijn, naast alle andere dingen, begin ik te voelen, en ook ons hondje begint aardig van slag te raken.


Woensdag 5 augustus
 wil ik rond twaalf uur richting het ziekenhuis rijden, maar er wordt om tien voor twaalf al gebeld door het ziekenhuis.
Je bent echt heel erg ziek, en gaat achteruit; ze willen graag een gesprek met mij.
Aangezien ik niet veel tijd heb, bel ik onze Joël: 'Kun je mee?'
Maar hij is net bij Intratuin met de kids en kan niet zomaar weg, maar Dilly, zijn vriendin springt per direct in de auto en rijdt naar het ziekenhuis.
Ik wil er gewoon even iemand bij hebben die meeluistert, want ik sla vast niet alles op.
Ze heeft een voorsprong op mij, ik moet eerst nog heel Barneveld door; we treffen elkaar in de hal.

Het gesprek is confronterend en erg moeilijk.
Dilly noteert in grote lijnen alles wat de arts zegt. 
Je bent echt heel erg ziek en gaat achteruit.
De infectiewaarden dalen wel, maar je knapt niet op en daarom wilden ze ook dit gesprek.
De waardes tonen dat de antibiotica werkt, ook voor de longontsteking, maar je blijft benauwd; waar komt dat vandaan?
Er wordt door meerdere mensen meegekeken en gedacht en daarom willen ze ook een controle scan van je hoofd maken om te zien of daar nog iets op te vinden is.
Ook willen ze een PET scan maken, -kan helaas alleen in Arnhem, om te zien of er nog meer infectiehaarden zijn; ze willen ook dit vandaag of morgen doen.

Opnieuw bespreken we ook de reanimatie.
Je was heel duidelijk, maar toch stelt de dokter opnieuw de vraag, en ze geeft daarbij aan dat, met alles wat er aan de hand is, het advies is om niet te reanimeren, omdat het maar de vraag is hoe je eruit zult komen.
Zal er nog sprake zijn van bewustzijn?
Kom je in een coma?
Het is allemaal zo complex.
De dokter schat nu in dat het een verpleeghuis wordt, maar in welke vorm is nu niet te zeggen.

Terwijl Dilly en ik naar huis gaan, wordt de CT-scan gemaakt en bekeken, en dan zal er weer overleg zijn door de verschillende disciplines.
Wordt er iets over het hoofd gezien?
Wat is voor nu de beste aanpak?
Er kan zelfs nog sprake zijn van een delier.

Ik ben nog maar net thuis als mijn telefoon gaat, het ziekenhuis.
Slecht nieuws, het is geen infarct maar een abces; ze gaan gelijk een MRI maken, en in de planning ligt ook de PET-scan in Arnhem.

Rond 16.00 uur ben ik terug in het ziekenhuis.
Ik vind je slechter dan 's morgens, je gaat echt achteruit.
De uitslag van de MRI is binnen, het is een abces van  zo'n 6 cm, en het is behoorlijk gevaarlijk.
De neuroloog komt nog en hij vertelt me dat er contact is met Utrecht.
Artsen daar beoordelen de scans en er is overleg om een punctie te doen, want de antibiotica bereikt duidelijk niet het abces binnenin.
PET-scan in Arnhem is niet meer van belang.

Het is al begin van de avond als we naar het UMC gaan, ze willen je zelf zien en beoordelen.
Ik heb een beetje geluk, daar de neuroloog heeft gezegd dat ik met de ambulance mee kan rijden, mag ik mee, maar het is duidelijk niet hun gewoonte.
Twee van de vier kids komen ook naar Utrecht.
We 'vliegen' over de buitenste rijbaan.
De ambulancebroeder is niet erg spraakzaam, jammer, het helpt altijd zo.
Hij is aardig, hoor, maar gewoon niet spraakzaam.
Anderzijds, we gaan best wel hard, hij moet zijn aandacht wel bij het rijden houden.

Op de Spoedeisende Hulp in Utrecht word je eerst naar de ene kamer gebracht, maar al snel naar de volgende, waar geen ruimte meer is voor iemand anders.
Je ademhaling is allerbelabberdts.
Het is een cheyne stoke ademhaling, ik had het allang herkent, maar wil er nog niet aan.
Ik vind het vreselijk, soms adem je een behoorlijke tijd niet.
Was het in de ambulance slechts een paar keer, hier in het ziekenhuis is het bijna constant zo.
Steeds weer wrijven we om de beurt over je borstbeen, kom jochie, ademhalen, kom, en ja, iedere keer begin je weer.
Ik vind het afschuwelijk, en het huilen staat me soms nader dan het lachen.
De zuster zorgt dat we een paar boterhammetjes krijgen, niemand van ons heeft immers nog gegeten.
Ze geeft zelfs aan dat thuisbezorg hier goed lijkt te werken, maar voor ons, in deze omstandigheden is een boterham met een bak koffie meer dan genoeg.

Verschillende artsen komen langs en beoordelen je situatie, inclusief de anesthesist.
Dan komt de definitieve beslissing: Er wordt geen punctie gedaan, ze vinden het te riskant.
Je conditie is te slecht, ze zijn bang dat je de narcose en de beademing niet eens overleeft, en als dat wel gebeurt, hoe kom je daar dan uit?
Je mag daar blijven om ...
Je mag ook terug naar Ede.
De keuze is aan mij.

Ik vind het zo moeilijk, moet ik je nog een keer een rit met de ambulance aandoen?
Ik kan dat eigenlijk niet, want ze achten de kans ook aanwezig dat je in de ambulance komt te overlijden.
Het advies is ook om met alles te stoppen, de medicatie, de sondevoeding, de zuurstof ...
'Dan maar blijven',  zeg ik, maar mijn zoon komt in het verweer.
'Nee, ma, hij moet terug naar Ede, dat is ook beter voor jou, dat is makkelijker te rijden, kun je nog naar huis enz.'
Uiteindelijk geef ik hem gelijk, het is ook wel zo, op en neer naar Utrecht is wel een dingetje, en Ede voelt inmiddels een beetje als thuis.
Ik buig mijn hoofd en zeg met een zwaar gemoed dat we naar Ede teruggaan.

De weg terug is ondanks de situatie fijn.
Ik mag naast je op een stoel gaan zitten en de broeder is uiterst aardig en praat eigenlijk de hele tijd met me.
Voor ik het weet zijn we terug in Ede.
Het is inmiddels donker.
En ... je heeft de rit overleeft

Je wordt naar een andere kamer gebracht dan waar je lag voor je wegging.
Een tweepersoonskamer, maar nu is het andere bed voor mij, ik mag blijven. 
Je favoriete zuster, ja, die had je echt, was bijna aan het einde van haar dienst, maar ze wil het afmaken, en dus blijft ze.
Ze zorgt ervoor dat je weer lekker in bed komt te liggen en zorgt dat alles zo comfortabel mogelijk is.
Ze heeft zelfs geregeld dat de dienstdoende neuroloog nog even komt en ze blijft tot hij is geweest.
Inmiddels heeft de nachtdienst het al overgenomen, maar ze blijft tot ze de nachtzuster ook nog even aan ons heeft voorgesteld.
Ik bedank haar voor al die extra's, maar ze zegt ook, dat het ook goed voor haarzelf is, voor het verwerken en afmaken.
Dan gaat zij naar huis, en ik duw het bed ernaast tegen jouw bed aan.
Je krijgt er niet veel van mee.



Vandaag zijn de woorden 'Mijn (jouw) tijden zijn in Uw hand' de gehele tijd in mijn hoofd.
Het geeft rust en vrede.

vrijdag 21 augustus 2026

Mijn tijden zijn in Uw hand ... (1)

Het begin van de rollercoaster.


Het is vandaag precies 3 weken geleden dat onze rollercoaster begon, en ik had toen nooit kunnen bedenken dat deze zou eindigen zoals die eindigde 😢 ...

Deze, en de paar komende blogjes zijn in grote lijnen mijn/ons persoonlijke verhaal.
Ik kan deze tijd niet voorbij laten gaan zonder er over te schrijven, het hoort erbij op dit persoonlijke blog waar alles begint en eindigt in Zijn handen.
Het is een verdrietig verhaal, die de rauwe kanten van het leven laat zien, maar ook welk een hoop, rust en vrede er door, en in Hem, is.
Want Hij was er bij elk moment, in iedere traan en nachtwaken, in iedere lach en in elke beslissing die genomen moest worden.

Geloof!

Geloof, Mijn kind,
geloof en vertrouw Mij
dwars door alles heen.

Geloof, ook als het donker is
en er geen lichtstraal doordringt
in de situatie waarin je je bevindt.

Geloof, ook als je zo wordt belaagd
dat je nauwelijks uitkomst ziet;
het lijkt of de storm het wint.

Geloof, ook als het langer duurt
en je het gevoel hebt te komen
aan het einde van je krachten.

Geloof, ook als je onderuit gaat
en je niet meer weet hoe op te staan;
er niets anders rest dan wachten.

Geloof, mijn kind,
geloof en vertrouw Mij
Ik help door alles heen.

Geloof, want Ik zal het licht ontsteken
in de duisternis waarin je je nu bevindt,
en je nieuwe hoop, moed en kracht geven.

Geloof, want Ik trek je uit de woeste golven,
die je het zicht op Mij soms zo ontnemen;
Ik heb overwonnen en geef nieuw leven.

Geloof, al duurt het nog zo lang;
Ik vergeet je niet, Ik ben altijd dicht bij je
en onder je zijn Mijn eeuwige Vaderarmen.

Geloof, ook als je valt; vergeet niet
dat Ik er ben om je op te vangen
en te omringen met Mijn erbarmen.

Geloof, Mijn kind,
geloof en vertrouw Mij
dwars door alles heen.


Het is bijna een maand geleden dat ik dit gedicht schreef voor op 'Quality Time'.
Geloof, vertrouw dat Ik help dwars door alles heen.
Terugkijkend denk ik dat de Heer mij, met het schrijven van dit gedichtje, aan het klaarmaken was voor dat wat kwam.
Het is immers een heel persoonlijk gedichtje, geschreven vanuit de moeilijke omstandigheden die er al waren en die me soms zo konden aanvliegen toen ook mijn lichaam begon te protesteren.

Niet zo heel lang daarvoor, misschien net twee, drie weekjes, was ik door een thuisbezoekje van iemand van onze huisgemeente -ze kwamen met regelmaat met Bram en mij bidden en avondmaal vieren, in contact gekomen met het Leesplan 'Riskante gebeden' van You Version.
Het bleef hangen, en ik ben het zelf gaan lezen, en nog een keer, en de tweede keer nam ik er alle tijd voor, net zolang als ik voor elke dag nodig had om mijn hart te brengen tot die overgave.
Het ging soms met de nodige traantjes gepaard, maar ik wilde niet alleen verandering, ik wist ook dat ik het nodig had om alles aan te kunnen, om verder te kunnen.
Een proces van sterven aan mezelf.
Een proces dat niet stopt met dit Leesplan, maar onafgebroken doorgaat, iedere dag. 
Maar soms is het even heftiger, is er een tijd van worstelen en strijden; overgave gaat vaak niet zomaar, tenminste niet bij mij.
En zo bracht dit Leesplan mij weer terug bij het Dagboek van Murray en zette mij er weer toe aan om verder te gaan waar ik gebleven was.
En dat laatste gebeurde in de week naar 26 juli toe, de dag waarop ik het blogje met dit gedichtje plaatste.
Ik had toen nog niet kunnen bedenken dat de woorden van de drie coupletjes, die er tussen verweven zijn, zo persoonlijk zouden worden.

Geloof!

Geloof, Mijn kind,
geloof en vertrouw Mij
dwars door alles heen.

Geloof, Mijn kind,
geloof en vertrouw Mij
Ik help door alles heen.

Geloof, Mijn kind,
geloof en vertrouw Mij
dwars door alles heen.


Het hele verhaal begint eigenlijk al op de maandag die week, als mijn man thuis komt van fysio en hij de poort bijna niet open en dicht krijgt, omdat zijn vingers niet willen.
Vanaf de midden gewrichtjes lijken zijn vingers niet veel meer te doen, iets waarbij hij met het gaan eten behoorlijk mee wordt geconfronteerd.
Dinsdag zijn de verlammingsverschijnselen wat opgeschoven en dus toch maar de dokter gebeld.
Er wordt overlegd met de neuroloog, en daar je al bloedverdunners slikt, hoef je pas morgenochtend naar de Tia-poli.
Voor nu vallen de woorden Tia/infarctje en Dropping Hand, maar aangezien er verder geen symptomen zijn, denken we allemaal richting Dropping Hand. 

Het was een behoorlijk lange ochtend in het ziekenhuis, we moesten toch al met al nog behoorlijk lang  wachten bij elke poli waar we moesten zijn.
Maar de uitslag was positief, tenminste, er was nergens iets te zien of te vinden.
Zeer waarschijnlijk dus een Dropping Hand, niet gevaarlijk, wel moet het verder onderzocht worden.
Dus met een afspraak voor een EMG voor zijn handen (weer eens wat anders dan van zijn benen) gingen we weer naar huis.


Donderdags vind ik het toch wel een beetje eng worden, de verlamming is weer wat opgeschoven omhoog, waardoor hij zijn hele hand niet meer kan gebruiken.
Wat vind ik het erg voor hem, hij is al zo beperkt, en nu kan hij niet eens meer zijn eigen brood smeren, en dat is eigenlijk nog het minst erge van de dingen die hij niet meer kan.
Ik bestel dezelfde dag nog een rolstoel enz. voor hem, want het lopen achter de rollator begint ook gevaarlijk te worden, zijn hand glijdt er herhaaldelijk af.

's Avonds komt onze parttimester met haar man op bezoek om de laatste dingen door te spreken omdat zaterdag de laatste dag is dat de winkel open is.
Wat zijn we dankbaar voor haar, zij maakt voor ons af, wat Bram niet meer kan, en nog meer; ze is werkelijk een 'Angel in disguise'.
Welk een hard gelag dat hij zaterdag er niet eens bij kan zijn op de laatste dag dat zijn winkel open is.


Vrijdag is een heel drukke dag.
De spullen van Medipoint worden bezorgd, maar doordat ik ze direct de volgende dag wilde hebben, kunnen ze geen goede tijdsindicatie meer geven; ik moet boodschappen doen, ons hondje moet naar de trimster en er komt nog een monteur langs.
Gelukkig kan onze dochter wat bijspringen, zodat er altijd iemand thuis is.

Inmiddels word ik steeds onzekerder over zijn spreken, er klopt toch iets niet, of wel?
Het is zo wisselend, dat ik er niet echt een peil op kan trekken.
Maar 's middags vertrouw ik het toch niet, en ik zeg de monteur af (hij stond afgelopen woensdag al voor niets op de stoep, maar ja ...) en bel de dokter.
Een half uur later staat de ambulance op de stoep.
Ik word een beetje boos op één van de ambulancebroeders, die zegt dat hij toch nog best praat en zijn mond niet scheef hangt; maar ik ken mijn man en ik weet gewoon dat er iets niet klopt, en dat zeg ik hem ook.
'We nemen hem ook wel mee', is zijn weerwoord.
Zucht .., o Heer, als het maar geen herhaling wordt van een half jaar geleden; het klopt gewoon niet, er is echt iets mis.
Dit keer rijd ik met mijn eigen auto naar het ziekenhuis.


Je ligt al geïnstalleerd op de Spoedeisende Hulp als ik daar aankom; bloed hebben ze al afgenomen, maar voor de CT scan wordt je meegenomen als ik er al even ben.
Eindelijk komt er een dokter met de uitslag, en ze zegt dat ze iets op de scan zien dat er afgelopen week niet was.
Een heel kleine schaduw, die hen doet vermoeden dat er toch iets van een infarctje is; soms is dat pas later zichtbaar, zegt ze.
Geen idee, het zal wel als zij dat zeggen, je wordt in ieder geval opgenomen op de afdeling Neurologie en krijgt er een extra bloedverdunner bij.
Voor de rest was er niets aan de hand, alleen verlammingsverschijnselen van inmiddels hand/arm en het spreken, het moeilijker uit je woorden komen.
Geen koorts, geen andere klachten, helemaal niets.
Op afdeling mag je eindelijk wat eten en drinken, en ik ga naar huis als je een beetje geïnstalleerd bent op de 24-uurs zaal.
Doodmoe kom ik thuis en het huilen staat me nader dan het lachen.
Ik laat ons hondje uit, bel nog even met de kinders, drink nog wat en duik mijn bed in.
Nee, het is niet fijn dat je in het ziekenhuis ligt, maar voor mij is het wel een zorg minder in deze situatie, nu zijn er tenminste continue mensen die op je letten en voor je kunnen zorgen.

🙏 In Uw handen, Heer, in Uw handen🙏

maandag 6 juli 2026

Geduld nodig?

Om over na te denken


“Wilt u alstublieft voor me bidden?” vroeg de man aan de voorganger.
“Ik heb hulp nodig.”

“Wat is precies het probleem?” vroeg deze.

“Ik ben toch zo ongeduldig,” mompelde de man ontmoedigd.
“Iedere keer gaat het weer mis.
Dan schreeuw ik tegen de kinderen en de hond en zelfs de buurvrouw moet het soms ontgelden.
Wilt u de Heer vragen om mij geduld te geven?”

“Ja hoor,” zei de voorganger.
Hij nam de handen van de man in de zijne en begon te bidden: “Heer, stuurt u onze goede vriend veel moeilijkheden. Stuur hem een grote golf van tegenslag.”

Er ging een siddering door het lichaam van de man en hij trok ruw zijn hand uit die van de voorganger.
 “Nee, nee,” schreeuwde hij woedend, “U begrijpt er niks van.
Geduld wil ik hebben, geen moeilijkheden; die heb ik al genoeg.”

“Beste vriend,” sprak de voorganger vriendelijk, “ik denk dat u het niet begrijpt.
God leert ons geduld juist in tijden van tegenslag en moeilijkheden.
Wij willen graag betere mensen worden, maar de prijs willen we er liever niet voor betalen.”

Niemand houdt van moeilijkheden, maar de vruchten die ze in ons leven voortbrengen wanneer we ze met geloof tegemoet treden, zijn kostbaar en meer dan de moeite waard in het licht van de eeuwigheid.

Copyright >> 'Haardstee'
(Met toestemming overgenomen)