vrijdag 16 oktober 2026

Geloofd zij God!

'Voor alles een eerste keer' zegt een Nederlands spreekwoord, en ook vandaag is weer zo'n dag.
Vandaag zou je namelijk jarig zijn; vandaag zou je zesenzestig jaar zijn geworden.
Maar je wordt het niet meer, jouw leeftijd blijft staan op vijfenzestig, en (gek genoeg) vind ik daar op de één of andere manier ook weer troost in, want ik ben net zelf vijfenzestig jaar geworden deze zomer en het voelt alsof je daardoor net wat dichterbij blijft.


Als ik vanmorgen met mijn kopje koffie op de bank ga zitten voor mijn Stille Tijd, -ik ben nog weer zoekende naar een nieuwe plek, besluit ik mijn Bijbel te openen bij Psalm 66, omdat je dat zou zijn geworden.
Het is een prachtige Psalm, een loflied op de grote daden van de Heer.
En hoewel dat misschien op het eerste gezicht misschien niet zo toepasselijk lijkt, is het dat zeker wel.
Er vele diepe dalen in ons leven geweest zijn, en de laatste jaren vooral ook in jouw leven (en daardoor uiteraard ook in die van mij), toch hebben we ook Zijn hulp, kracht en troost iedere keer weer gezien en ervaren.
Ja, soms waren we vertwijfelt, joegen dingen jou en mij angst aan, in het bijzonder die laatste dagen dat je nog thuis was, maar toch ... we gingen geen dag zonder Hem, in alles was Hij erbij; ook als we het niet ervaarden; dat zagen we later.

Welk een troost ligt er in die wetenschap, ook nu voor mij, nu ik zonder jou verder moet en er zoveel op me afkomt, omdat ik niet alleen privé met dingen heb te dealen, maar ook met allerlei zakelijke dingen waar ik helemaal geen weet van heb.
Wat word ik soms door paniek bevangen, en is mijn nachtrust daardoor soms behoorlijk kort, toch is de Heer erbij, hoort Hij mij en komt Hij mij op de één of andere manier tegemoet.
De ene keer door gebed, de andere keer door Zijn Woord, of door mij met Zijn rust te vullen en mij aan te sporen om de dingen opnieuw te bekijken en mij de weg erdoorheen te wijzen.

O ja, ik zou heel graag wat minder snel in paniek raken, en langzamerhand gebeurt dit ook wel, of is de paniek korter, maar in alles zie ik zie ook dat Hij daarin heel dichtbij is, dat Hij klaar staat om mij te helpen, en hoe vaak heeft Hij dat al niet gedaan.
Ja, vandaag heb ik - naast de tranen die vloeiden, 'psalmen (en lofliederen) gezongen voor Uw heerlijke Naam, en U mijn lof en eer gegeven'. 
Want U bent een God Die omziet naar wat Hem toebehoord, Die troost in verdriet, weer ruimte geeft, en voeten op de rots plaatst.
U bent een God Die acht slaat op gebeden, die hoort, en luistert.
'Die mijn gebed niet heeft afgewezen en mij Zijn Goedertierenheid niet heeft onthouden!'

Vreugde en verdriet,
soms gaan ze hand in hand.
Een lach en een traan,
soms liggen ze dicht bij elkaar.
Alles in het leven is immers zo
nauw aan elkaar verwant.
Maar met U aan mij zij
is één ding zeker:
in alles bent U daar!

Geloofd zij Uw heilige Naam!

‘Loof, volken, onze God; laat het geluid van Zijn roem horen,
Die onze ziel weer het leven geeft, en niet toelaat dat onze voet wankelt.
Want U hebt ons beproefd, o God, U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.
U had ons in het net gebracht, U had een knellende band om ons middel gelegd,
U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.
Wij waren in het vuur en in het water gekomen, maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.
Kom, luister, allen die God vrezen, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

 Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewezen,
en Zijn goedertierenheid mij niet heeft onthouden.'

Psalm 66:8-12, 16

dinsdag 6 oktober 2026

Vandaag zouden we ...

Het huis is stil en leeg …

De tafel inmiddels wat leger.
De bloemen zijn verdord, mijn laptop staat weer boven, de stapel paparassen is meer geordend en veel dingen zijn nu opgeborgen in mappen.
De stapel met boeken hebben inmiddels ook een andere plek gekregen.
Gelezen heb ik ze verder nog niet echt; eentje, en af en toe pak ik ook weer het boek waar ik in aan het lezen was in het ziekenhuis.
En ook mijn agenda heeft haar plaats op mijn bureau weer ingenomen, als ook het Dagboek van Murray en het schrift dat erbij hoort.
Nee, het lukt me nog steeds niet om er mee bezig te zijn, hoewel ik het vanmorgen wel voor het eerst weer even heb gelezen, dus misschien … wie weet.
De mand met kaarten staat er nog wel, als uiteraard ook je foto, de rouwkaart, en inmiddels een paar zeer mooie en bemoedigende kaarten.

Ik kijk door het raam vanuit mijn kamertje naar buiten.
De bomen hebben hun glans verloren en sommigen lijken al meer dood dan levend, en ik vraag me af of er nog wel eentje bij zal zijn die de prachtige gouden kleur krijgt die ze normaal hebben.
Een stille, trieste aanblik, eigenlijk wel een beetje zoals ik me vandaag voel.
Waar de eerste anderhalve maand na jouw heengaan er gewoon geen tijd en ruimte was voor gevoelens, voor rouw, door alle drukte en alles dat geregeld en gedaan moest worden, het bezig zijn met jouw kleren, je auto die weg moest, de scootmobiel … brengt me eindelijk bij de leegte, de stilte, het gemis en daarmee komen dan ook eindelijk de tranen.
In de garage staat nog je rollator, en die blijft daar nog even staan als een stille getuige van alles waar we samen doorheen zijn gegaan.
Het is een stukje van jou dat ik nog even langer vast wil houden.
Hij staat ook symbool voor de grote verandering in ons beider leven vrij aan het begin van dit jaar.
Ineens was je volledig thuis, en kon je helemaal niet meer werken.
Je stok, waarmee je je tot die tijd kon redden, verdween doelloos in de gang.
Met de tijd zal ook je rollator een goede bestemming krijgen, maar voor nu blijft hij nog even staan waar hij staat.

Het huis is stil en leeg …
Hoe anders was deze dag 43 jaar geleden.
Waar nu de lucht nog grauw is en grijs (ik schreef dit gedeelte vanmorgen), scheen toen de zon met haar vreugdevolle gouden stralen over onze dag.
Ja, onze dag, omdat we op die dag zijn getrouwd en ons leven samen zijn begonnen.
Wat was je trots op het feit dat het je gelukt was om lelietjes van dalen in mijn trouwboeket te krijgen, ik wilde dat zo graag.
Wat moesten we lachen op het gemeentehuis toen de stoel voor mij veel te hoog bleek voor mijn korte pootjes, en ze snel aankwamen lopen met verschillende telefoonboeken en een gouden gids, zodat mijn voeten niet hoefden te blijven bengelen.
Wat was het mooi en bijzonder om Gods zegen over ons huwelijk te ontvangen met de prachtige tekst uit Psalm 33:22: ‘Laat Uw goedertierenheid over ons zijn, HEERE, zoals wij op U hopen.’
Wat een heerlijke dag was het met iedereen die ons lief en dierbaar was.
En nu, nu moet ik verder zonder jou; de 43 jaar hebben we net samen niet mogen halen.

Vandaag is een dag van terugzien en terugdenken, van herinneringen; van een lach en een traan (tranen), van stilstaan en tegelijk ook doorgaan, van aanvaarden en Zijn liefdevolle troost en aanwezigheid in alles ervaren, vooral in die momenten als ik even breek.
En toch … en toch wil ik ook vandaag getuigen van Zijn goedheid, Zijn liefde en Zijn trouw.
Ja, het huis is stil en leeg, maar ik ben NOOIT alleen!
Ja, er klinkt geen andere stem meer in dit huis, alleen nog die van mij als ik hardop lees uit Zijn Woord of Dagboek, of zing van Zijn liefde en trouw, Zijn goedheid en genade, of praat tegen ons hondje.
Maar tegelijk ervaar ik: U bent bij mij, rondom mij, in mij.
Wat bent U goed voor mij, Heer!

En zo ga ik deze avond in terwijl de zon, die vanmiddag toch nog tevoorschijn kwam, langzaam achter de huizen verdwijnt. 
Het laatste beetje van dit zonlicht schijnt op mijn kamertje naar binnen en opnieuw moet ik denken aan Psalm 18:29 dat zegt: 'Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE; mijn God doet mijn duisternis opklaren.'
Och, als we U kennen, kan er vreugde zijn ondanks verdriet, kunnen we huilen, en tegelijk vrede ervaren, kan er pijn zijn, en tegelijk troost.
Wat bent U goed, o Heer!


Wat bent U goed, o Heer,
wat zorgt U voor mij,
iedere dag opnieuw.
Wat troost U mij,
mag ik Uw nabijheid
daarin zo ervaren.

Wat bent U goed, o Heer,
wat ziet U naar mij om,
elke dag, ja, elk moment.
Wat sterkt U mij,
en mag ik Uw kracht
steeds weer ervaren.

Wat bent U goed, o Heer,
wat doet U Uw woord
gestand, alle dagen.
Wat bemoedigt U mij,
en mag ik de waarheid
van Wie U bent ervaren.

Wat bent U goed, o Heer;
geprezen zij Uw heilige,
en machtige Naam!
U zorgt, ziet en draagt,
ja, gaat met mij mee en zal
mij in Uw hand bewaren.


dinsdag 1 september 2026

Stil en leeg ...

Wat een rare zomer is het dit jaar geweest.
De scholen zijn nu allemaal weer begonnen en voor de meesten begint nu echt het gewone leven en het erbij horende ritme weer, maar voor mij ...
O ja, ik heb wel een bepaald ritme dat ik aanhoud, omdat zowel ik als ons hondje dat nu meer dan nodig hebben, maar het is verre van gewoon.
Niets is immers meer hetzelfde, en dat wordt het ook niet meer.
Het huis is stil en leeg.

Geen bed meer in de woonkamer.
Geen thuiszorg meer.
Geen rollator die ergens tegenaan stoot, of waar een hondje voor loopt.
Geen gezamenlijke agenda meer op de telefoon.
Geen afspraken meer waar ik je naar toe moet rijden.

Geen grote pannen meer om in te koken.
Het brood niet meer door de helft in de vriezer.
Geen geluid meer van films of muziek.
Ook het zachte geluid van een spelletje op de Ipad klinkt niet meer.

Een lege stoel tegenover mij aan tafel.
De lege stoel naast de mijne in de tv-kamer.
Maar ook geen harde nies meer waar ik vaak zó van schrok, zelfs na bijna 44 jaar samen zijn (waarvan net geen 43 jaar getrouwd)

Het huis is stil en leeg.
Mijn keukentafel ligt daarentegen vol.
Jouw foto, de rouwkaart, een mand met meer dan honderd kaartjes.
Een vaas met prachtige bloemen, gekregen uit de tuin van een lieve vriendin.
Een map van de Uitvaartzorg, van de natuurbegraafplaats waar je begraven bent, een condoleanceboek.

Een stapeltje boeken, die ik vorige maand nog voor mijn verjaardag heb gekregen.
Allerlei paperassen, dingen die geregeld moeten worden, of geregeld zijn.
Een beeldje van de Goede Herder Die een schaapje draagt; je had het ooit van mij gekregen en op je bureau in de zaak staan.
Jouw oude agenda, die je gebruikte voor de mobiele telefoons met een agenda.
Mijn papieren agenda ...


Het huis is stil en leeg zonder jou,
maar ik ben niet alleen.


Het huis is stil en leeg.
Mijn gedachten gaan naar de eerste keer dat we in het ziekenhuis spraken over wel of niet reanimeren, en jij toen nog duidelijk aangaf dat je dat echt wilde, want je had nog zoveel te zeggen, zoveel te doen. Zoveel te zeggen, zoveel te doen ...
Je woorden brachten een brok in mijn keel, je was immers geen prater, en je werd steeds beperkter in wat je nog kon.
Maar ondanks dat, wat ben ik dankbaar voor de tijd die we samen nog hebben gehad.


Wij mensen denken vaak dat we alle tijd hebben, als het vandaag niet komt, dan morgen wel; maar wat als morgen niet meer komt?

Zeg toch nu wat je hebt te zeggen,
tegen hen die je lief en dierbaar zijn.
Vertel toch nu wat je hebt te vertellen,
al is het nog zo weinig, kort of klein.

Doe toch nu dat wat belangrijk is,
in het bijzonder voor wie dierbaar zijn.
Doe het toch nu, nu het nog kan,
niet meer kunnen, te laat zijn, doet pijn.

Zeg, doe, stel toch niet uit.
Niemand kent zijn uur of tijd.
Het voorkomt pijn en verdriet,
wroeging en heel veel spijt.

dinsdag 25 augustus 2026

Tot ziens, Lieverd!' (5)

Eens weer ...



'Al bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,
dan is God de Rots van mijn hart en voor eeuwig mijn deel.'
Psalm 73:26

'Mijn tijden zijn in Uw hand.'
Psalm 31;16a


Muziek was jouw taal, en zo stond jouw begrafenis ook in het teken van muziek.
We hebben meer gezongen dan gewoon is met een begrafenis, maar wat was dat goed!
Het voelde voor mij alsof ik nog een keer samen met jou zong.
Iets dat we zoveel samen hebben gedaan, maar wat de laatste jaren steeds minder werd, omdat het niet meer zo goed lukte.

Wat was het moeilijk voor je dat je lichaam het steeds meer af liet weten, je steeds minder kon; maar wat vond je het vooral moeilijk voor mij.
Wat hadden we nog hoop dat de revalidatie je weer een beetje meer op de been zou krijgen, en we nog wat kleine dingetjes samen zouden kunnen doen.
Maar het mocht niet meer zo zijn, een bacterie werd jou fataal.

Toch ben ik zo dankbaar, zo ontzettend dankbaar voor de laatste maanden die we samen hebben gehad.
Nee, vanaf maart kon je niet meer werken, en ja, we hebben allebei moeten wennen aan ineens allebei volledig thuis, maar hoe lastig het soms ook was, wat was het tegelijkertijd ook goed en mooi.
Dank je wel, lieverd, voor al die jaren, en in het bijzonder voor deze laatste maanden.

Ja, het is goed, wat Vader doet!
'... het sterven is voor mij winst.'
Fil. 1:21b

✝

In Zijn hand …

Het was een ongelijke strijd,
je sterke geest, je zwakke lichaam.
Maar één ding stond voor mij vast:
Jouw tijd is in Zijn hand.

Het was een moeilijke strijd,
wat werd je lichaam aangevallen.
Maar één ding bleef voor mij staan:
Jouw tijd is in Gods hand.

Ook toen er moeilijke beslissingen 
moesten worden genomen;
ik daarbij heen en weer geslingerd werd 
tussen wat is goed en wat wil jij.
Ook toen waren deze woorden 
in mijn hart verankerd:
Jouw tijd is in Gods hand!

Geen medicijn, noch een behandeling
kan daar iets aan veranderen;
met of zonder bleef dit staan:
Jouw tijd is in Zijn hand.

Nu is het einde gekomen;
voorbij is je aardse reis.
Hij heeft je bij de hand genomen
en thuisgebracht in ’t eeuwig vaderland.

💕
 

maandag 24 augustus 2026

Kom maar bij Mij! (4)

Jouw Tijd is in Gods hand!
Het einde van de rollercoaster ...


Het wordt zondagmorgen, we zijn nu bijna twee weken verder dan toen alles begon met je vingers.
Ik ben 's morgens doorgaans vroeg wakker in het ziekenhuis, het blijft toch ongewoon en met alles dat speelt ...
Maar er is ook genoeg rust en stilte, ze komen maar heel af en toe even kijken en zo heb ik ook in het ziekenhuis tijd voor mijn Stille Tijd.
Wel anders dan thuis, maar toch, gewoon even een momentje met de Heer is zo belangrijk om vol te houden.
Deze morgen is het wel een beetje anders, want ik kan bijna niet meer.
Het hele gebeuren trekt een wissel op mij, en ik weet niet goed meer hoe er mee om te gaan.

Deze week las ik het boekje 'George Müller - De man van Geloof en Gebed'; ik heb het vorige maand voor mijn verjaardag gekregen, en vanmorgen trok ik de stoute schoenen aan om te bidden in de lijn van hoe deze man leefde, namelijk Bidden en Verwachten.
En ik bid God dat er vandaag een kentering in de situatie zal komen, want dit wordt me teveel.
Het niet goed kunnen peilen welke kant het opgaat, wat de artsen zeggen tegenover wat ik zag en zie; ups en downs, de rust, het genieten als hij buiten was en met de ijsklontjes ...
Ik bid mijn hemelse Vader dat Hij vandaag een kentering gaat geven, hetzij ten goede, dat de artsen zelf zeggen we gaan toch nog weer wat doen, of ten slechte, waardoor ik los zal komen van alle twijfels of we wel de juiste keuze hebben gemaakt, of ik je wel goed heb begrepen.
Want dit steeds terugkerende 'redelijk stabiele' maakt mij onzeker en ik wil niet dat je lijdt.

Breng deze kentering, Abba, vandaag.
Ik verwacht het te zien.
In Jezus' Naam.

Amen

Je krijgt nu met regelmaat ijsklontjes op een stokje, ze hebben ze zelfs met aardbeiensmaak.
Wat ben ik daar blij mee, want om te zien dat je dorst hebt, vind ik verschrikkelijk.
In het begin liet ik het de zuster/broeder doen, ik vond het een beetje eng.
Ik hielp al wel met goed leggen en je mond schoonhouden, maar dit.
Een keer hapte je namelijk het hele blokje in je mond en wat schrok ik daarvan, je had er zo in kunnen stikken.
Och, uiteindelijk toch maar doen, maar ... ik zei je wel dat als je je mond dicht zou doen om het ijklontje heen, ik het weg zou halen en je niets meer zou geven.
Toen dat later een keertje bijna gebeurde en ik zei, pas op of ik ..., moest je lachen en deed je weer netjes wat je gevraagd werd.
Kleine lichtpuntjes in deze donkere onzekere dagen.
Wat geniet je van die ijsklontjes, het is alles wat je nog nodig heb, lijkt het wel.
Wat later op de ochtend gaan we samen nog even naar buiten, een zuster helpt ons even.
Helaas kan het niet zo lang, want de zon haalt ons in, maar wat genoot je opnieuw van het even buiten zijn, van het briesje.


Zondagavond zijn we met z'n tweetjes.
's Middags zijn mijn broertje en zijn vrouw nog even geweest, en ook de kinderen lopen in en uit.
Het is stil.
Ik hoor je onregelmatige ademhaling met stops, en ik zit stilletjes bij je met mijn boek.
Je zoekt mijn hand, steeds weer.
Als die te heet wordt, laat je hem los, om hem vervolgens weer snel te zoeken en vast te houden.
Je bent er nog, en toch ook niet meer helemaal.
Een enkele keer doe je je ogen open, maar je blik oogt leeg.
's Avonds, maar vooral in de loop van de nacht glijd je langzaam steeds verder weg.

Dank U, Heer, ik weet genoeg en het is goed.


Het is maandagmorgen rond half zes als de nachtzuster even om een hoekje kijkt.
We raken aan de praat over jou, over je werk, je ziek zijn, enz., terwijl ze er een stoel bij pakt en er rustig bij komt zitten.
Voor ze weggaat legt ze je hoofd nog een beetje goed, maar we merken dat je het niet fijn vindt, voor het eerst trek je een grimas waarbij we zien dat het niet prettig is, of misschien zelfs zeer doet.
De zuster zegt me dat ze in het rapport zal aangeven dat ze je voor het wassen eerst maar wat morfine moeten geven, zodat je met het wassen en goedleggen geen pijn zult hebben.
Als ze weg is, pak ik wat spullen, ga naar de badkamer en gooi wat water in mijn gezicht en haal een borstel door mijn haar.
Ik haal mijn eerste koffie, mijn tweede en mijn derde ...

Ze geven je inderdaad wat morfine, via een spuitje, en er wordt een nieuw vlindertje gezet, want die er zat, zit dicht.
Je bent er wel, en je bent er niet.
Op de prik reageer je wel wat, je ogen gaan af en toe even open, maar je blik is leeg; je lijkt niets meer te zien, geen herkenning.
Michael komt nog even, en opnieuw zoek je iemand om vast te houden, Michael eerst, want die zit naast je, en daarna die van mij als ik zijn plaats weer inneem.
De dokter komt, dezelfde als afgelopen vrijdag, zij is iets optimistischer over jouw algehele toestand in waarnemen, maar doet geen uitspraken.
Lijden hoeft je in ieder geval niet meer, ik mag zo om meer morfine vragen, maar je bent zo rustig dat ik denk dat je geen pijn hebt.
Zo meteen komt Rachelle weer, en kan ik even naar huis.
Ik ben niet bang dat je wegglipt als ik er niet ben, vrede is wat ik ervaar.

Als ik dit schrijf is het één uur 's middags, en de zon komt de kamer binnen, en verlicht haar.
De volgende tekst komt in mijn gedachten:
'Want U doet Uw lamp schijnen, Heere, mijn God doet mijn duisternis opklaren.'
Psalm 18:29


Vanaf hier stopt het schrijven in mijn telefoon; ik heb verder niet meer de kans gehad dingen bij te houden, zo snel ging alles ineens.
Ik ben naar huis gegaan, om even te douchen en om te kleden en even bij ons hondje te zijn, want ze at bijna niet meer.
Het zal ergens rond half vijf/vijf uur zijn geweest als ik weer terug ben in het ziekenhuis.
Ergens deze week op een stil moment heb ik nog een gedicht geschreven, alleen het laatste coupletje ontbreekt, want dat kan ik pas schrijven als je Thuis bent.
Ik lees en herlees het met regelmaat; ja, dit is zoals het was en is; en dit is wat ik ook met jouw begrafenis ga voordragen.

Onze dochter is weer naar huis gegaan, maar wel met mijn belofte dat als er ook maar iets verandert, ik haar zal bellen.
Ik ga bij je zitten, en zet nog wat muziek aan, maar er komt geen reactie meer, wel verandert je ademhaling onder het nummer; de cheyne stokes is weg, het wordt dieper en langzamer.
Ook Joël komt nog even.

Wat later komt de broeder even om een hoekje kijken; hij is er voor de derde avond, en dat is fijn, want zo herkent hij ook de verandering.
En dan komt het einde van deze rollercoaster dichterbij.
Opnieuw heb je koorts, je krijgt een paracetamolzetpil, maar deze doet niets, de koorts is hoger in plaats van lager.
Er worden natte koude handdoeken over je heen gelegd, met een ventilator erbij.
Ook dit helpt niet, de koorts is nog weer hoger.
Ze gaan contact opnemen met de arts over een morfinepomp.
Het antwoord laat nog even op zich wachten, maar ze komen wel terug om bij je te kijken, en de koorts is inmiddels weer boven de 40.
Onze dochter, die ik gebeld had is er inmiddels ook.
Je gaat inderdaad een morfinepomp krijgen, maar meer kunnen ze niet meer voor je doen.

We besluiten om het je zo comfortabel mogelijk te maken door het bed te verschonen en je op je andere zij te leggen.
De pomp wordt aangesloten, zij gaan weg, en wij zitten bij je, wachtend tot de Heer zegt: 'Kom maar bij Mij.'
In het uur dat volgt verandert je ademheling, langzaam maar toch ook duidelijk.
Een teug en stilte.
Nog een keer, en nog een keer ..., langzaam zien we het leven uit je wegglijden.
Dan is het stil.
Je bent Thuis.

Bram Klapwijk
Haarlem, 16-10-1960  -  Ede, 10-8-2026