zondag 27 oktober 2013

De mens wikt, maar Gods beschikt

Bedenk hoe groot en indrukwekkend de HEER is ...    (92)

Al geeft u mij al uw goud en zilver, dan nog zou ik alleen kunnen doen wat de HEER mij beveelt.
Numeri 24:13

In het verhaal van Bileam is ongetwijfeld het fragment met de sprekende ezel het meest bekend, met daaraan gekoppeld het feit dat Bileam het volk Israël alleen kan zegenen en niet vervloeken zoals koning Balak dat van hem vroeg.

Als ik vanmorgen dit verhaal opnieuw lees en overdenk, dan wordt opnieuw mijn hart gevuld met een diepe rust en vrede, door de grootheid van mijn God.
Want boven alles blijkt uit dit gedeelte dat de mens wikt, maar God beschikt.
De mens kan allerlei plannen maken of hebben, maar God is, en blijft, Degene die het uiteindelijk, altijd en in alles, voor het zeggen heeft.

Balak wil het volk Israël laten vervloeken, omdat hij bang is; bang door de verhalen die hij over hen had gehoord, maar nog meer door hun gigantische aantal.
Bileams reputatie deed hem naar hem toegaan om het volk te laten vervloeken, want duidelijk was, dat wie Bileam vervloekte, vervloekt zou zijn en wie hij zou zegenen, gezegend zou zijn.
Maar hoe anders pakt alles in dit geval uit.

Als Bileam uiteindelijk bij Balak komt, kan hij niets anders dan het volk Israël zegenen.
Tot drie keer toe, spreek hij een zegen uit over dit volk.
Toen hij voor de derde keer ging spreken, werd hij zelfs vervuld van Gods Geest, staat er in Numeri 24:2.

Koning Balak is woedend, maar Bileam kan gewoon niets anders.
Hoe graag hij misschien ook gewild zou hebben vanwege de vorstelijke beloning, in dit geval had hij simpelweg gewoon geen keuze.
Hij kon alleen die woorden spreken die God hem ingaf te spreken en dat waren woorden vol zegen, profetische woorden.

‘Hoe kan ik dit volk vervloeken als God het niet vervloeken wil?
Hoe kan ik het verwensen, als de HEER het niet verwensen wil?


Ik kan alleen maar doen wat de HEER mij heeft opgedragen.

Hij heeft me opgedragen te zegenen.
God heeft gezegend.
Daaraan valt niet te tornen.


Heb ik al niet tegen uw gezanten gezegd dat ik in geen geval tegen het bevel van de HEER, mijn God, kan ingaan?
Al geeft u mij al uw goud en zilver, dan nog zou ik alleen kunnen doen wat de HEER mij beveelt.’


(Num. 23:8,12,20; Num. 24:12)

Bileam sprak de woorden niet omdat het volk Israël zo goed gezind was, maar hij kon gewoon echt niet anders.
O, het goud en zilver had hij maar wat graag willen hebben, maar zonder Gods toestemming, goedkeuring, kon hij niet doen wat Balak van hem vroeg.
Wij mensen kunnen nog zoveel willen of doen, maar één ding is zeker, het is God die uiteindelijk altijd alle touwtjes in handen heeft.

Ja, er gebeuren de meest verschrikkelijke dingen waarvan ik overtuigd ben dat God ze niet wil.
Dat Zijn hart ineenkrimpt bij het zien en horen ervan.
Zijn niet ingrijpen is voor ons soms/vaak onbegrijpelijk, maar het neemt niet weg dat Hij een plan, een bedoeling heeft met alles.
Het verhaal van Bileam toont mij een God, die boven alles staat.

De mens wikt, …
… , o, wat denken we het allemaal goed voor elkaar te hebben en het beter te weten.
O, welk een rechten denken we niet te hebben en daarna te handelen.
O, welk een zelfbeschikkingsrecht eigenen we ons niet toe …
… maar God beschikt.

Het moment komt eraan dat heel de wereld zal zien en horen, dat Hij het is die het voor het zeggen heeft.
Vroeger, nu, en tot in alle eeuwigheid.


Hoe groot bent U, o God,
mijn Koning en HEER.

U liegt niet,
noch verandert U
zomaar van gedachten.

U belooft niet
en laat het na;
noch doet U een aankondiging,
en laat het niet doorgaan.

Aan wat U zegt,
of wat U doet,
valt niet te tornen,
wij kunnen op U aan.

U bent trouw en betrouwbaar,
eerlijk een rechtvaardig;
U bent de HEER,
van de hemelse machten.

O, hoe groot bent U,
mijn God, koning en HEER.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen