Jouw Tijd is in Gods hand!
Het einde van de rollercoaster ...
Het wordt zondagmorgen, we zijn nu bijna twee weken verder dan toen alles begon met je vingers.
Ik ben 's morgens doorgaans vroeg wakker in het ziekenhuis, het blijft toch ongewoon en met alles dat speelt ...
Maar er is ook genoeg rust en stilte, ze komen maar heel af en toe even kijken en zo heb ik ook in het ziekenhuis tijd voor mijn Stille Tijd.
Wel anders dan thuis, maar toch, gewoon even een momentje met de Heer is zo belangrijk om vol te houden.
Deze morgen is het wel een beetje anders, want ik kan bijna niet meer.
Het hele gebeuren trekt een wissel op mij, en ik weet niet goed meer hoe er mee om te gaan.
Deze week las ik het boekje 'George Müller - De man van Geloof en Gebed'; ik heb het vorige maand voor mijn verjaardag gekregen, en vanmorgen trok ik de stoute schoenen aan om te bidden in de lijn van hoe deze man leefde, namelijk Bidden en Verwachten.
En ik bid God dat er vandaag een kentering in de situatie zal komen, want dit wordt me teveel.
Het niet goed kunnen peilen welke kant het opgaat, wat de artsen zeggen tegenover wat ik zag en zie; ups en downs, de rust, het genieten als hij buiten was en met de ijsklontjes ...
Ik bid mijn hemelse Vader dat Hij vandaag een kentering gaat geven, hetzij ten goede, dat de artsen zelf zeggen we gaan toch nog weer wat doen, of ten slechte, waardoor ik los zal komen van alle twijfels of we wel de juiste keuze hebben gemaakt, of ik je wel goed heb begrepen.
Want dit steeds terugkerende 'redelijk stabiele' maakt mij onzeker en ik wil niet dat je lijdt.
Breng deze kentering, Abba, vandaag.
Ik verwacht het te zien.
In Jezus' Naam.
Amen
Je krijgt nu met regelmaat ijsklontjes op een stokje, ze hebben ze zelfs met aardbeiensmaak.
Wat ben ik daar blij mee, want om te zien dat je dorst hebt, vind ik verschrikkelijk.
In het begin liet ik het de zuster/broeder doen, ik vond het een beetje eng.
Ik hielp al wel met goed leggen en je mond schoonhouden, maar dit.
Een keer hapte je namelijk het hele blokje in je mond en wat schrok ik daarvan, je had er zo in kunnen stikken.
Och, uiteindelijk toch maar doen, maar ... ik zei je wel dat als je je mond dicht zou doen om het ijklontje heen, ik het weg zou halen en je niets meer zou geven.
Toen dat later een keertje bijna gebeurde en ik zei, pas op of ik ..., moest je lachen en deed je weer netjes wat je gevraagd werd.
Kleine lichtpuntjes in deze donkere onzekere dagen.
Wat geniet je van die ijsklontjes, het is alles wat je nog nodig heb, lijkt het wel.
Wat later op de ochtend gaan we samen nog even naar buiten, een zuster helpt ons even.
Helaas kan het niet zo lang, want de zon haalt ons in, maar wat genoot je opnieuw van het even buiten zijn, van het briesje.
Zondagavond zijn we met z'n tweetjes.
's Middags zijn mijn broertje en zijn vrouw nog even geweest, en ook de kinderen lopen in en uit.
Het is stil.
Ik hoor je onregelmatige ademhaling met stops, en ik zit stilletjes bij je met mijn boek.
Je zoekt mijn hand, steeds weer.
Als die te heet wordt, laat je hem los, om hem vervolgens weer snel te zoeken en vast te houden.
Je bent er nog, en toch ook niet meer helemaal.
Een enkele keer doe je je ogen open, maar je blik oogt leeg.
's Avonds, maar vooral in de loop van de nacht glijd je langzaam steeds verder weg.
Dank U, Heer, ik weet genoeg en het is goed.
Het is maandagmorgen rond half zes als de nachtzuster even om een hoekje kijkt.
We raken aan de praat over jou, over je werk, je ziek zijn, enz., terwijl ze er een stoel bij pakt en er rustig bij komt zitten.
Voor ze weggaat legt ze je hoofd nog een beetje goed, maar we merken dat je het niet fijn vindt, voor het eerst trek je een grimas waarbij we zien dat het niet prettig is, of misschien zelfs zeer doet.
De zuster zegt me dat ze in het rapport zal aangeven dat ze je voor het wassen eerst maar wat morfine moeten geven, zodat je met het wassen en goedleggen geen pijn zult hebben.
Als ze weg is, pak ik wat spullen, ga naar de badkamer en gooi wat water in mijn gezicht en haal een borstel door mijn haar.
Ik haal mijn eerste koffie, mijn tweede en mijn derde ...
Ze geven je inderdaad wat morfine, via een spuitje, en er wordt een nieuw vlindertje gezet, want die er zat, zit dicht.
Je bent er wel, en je bent er niet.
Op de prik reageer je wel wat, je ogen gaan af en toe even open, maar je blik is leeg; je lijkt niets meer te zien, geen herkenning.
Michael komt nog even, en opnieuw zoek je iemand om vast te houden, Michael eerst, want die zit naast je, en daarna die van mij als ik zijn plaats weer inneem.
De dokter komt, dezelfde als afgelopen vrijdag, zij is iets optimistischer over jouw algehele toestand in waarnemen, maar doet geen uitspraken.
Lijden hoeft je in ieder geval niet meer, ik mag zo om meer morfine vragen, maar je bent zo rustig dat ik denk dat je geen pijn hebt.
Zo meteen komt Rachelle weer, en kan ik even naar huis.
Ik ben niet bang dat je wegglipt als ik er niet ben, vrede is wat ik ervaar.
Als ik dit schrijf is het één uur 's middags, en de zon komt de kamer binnen, en verlicht haar.
De volgende tekst komt in mijn gedachten:
'Want U doet Uw lamp schijnen, Heere, mijn God doet mijn duisternis opklaren.'
Psalm 18:29
Vanaf hier stopt het schrijven in mijn telefoon; ik heb verder niet meer de kans gehad dingen bij te houden, zo snel ging alles ineens.
Ik ben naar huis gegaan, om even te douchen en om te kleden en even bij ons hondje te zijn, want ze at bijna niet meer.
Het zal ergens rond half vijf/vijf uur zijn geweest als ik weer terug ben in het ziekenhuis.
Ergens deze week op een stil moment heb ik nog een gedicht geschreven, alleen het laatste coupletje ontbreekt, want dat kan ik pas schrijven als je Thuis bent.
Ik lees en herlees het met regelmaat; ja, dit is zoals het was en is; en dit is wat ik ook met jouw begrafenis ga voordragen.
Onze dochter is weer naar huis gegaan, maar wel met mijn belofte dat als er ook maar iets verandert, ik haar zal bellen.
Ik ga bij je zitten, en zet nog wat muziek aan, maar er komt geen reactie meer, wel verandert je ademhaling onder het nummer; de cheyne stokes is weg, het wordt dieper en langzamer.
Ook Joël komt nog even.
Wat later komt de broeder even om een hoekje kijken; hij is er voor de derde avond, en dat is fijn, want zo herkent hij ook de verandering.
En dan komt het einde van deze rollercoaster dichterbij.
Opnieuw heb je koorts, je krijgt een paracetamolzetpil, maar deze doet niets, de koorts is hoger in plaats van lager.
Er worden natte koude handdoeken over je heen gelegd, met een ventilator erbij.
Ook dit helpt niet, de koorts is nog weer hoger.
Ze gaan contact opnemen met de arts over een morfinepomp.
Het antwoord laat nog even op zich wachten, maar ze komen wel terug om bij je te kijken, en de koorts is inmiddels weer boven de 40.
Onze dochter, die ik gebeld had is er inmiddels ook.
Je gaat inderdaad een morfinepomp krijgen, maar meer kunnen ze niet meer voor je doen.
We besluiten om het je zo comfortabel mogelijk te maken door het bed te verschonen en je op je andere zij te leggen.
De pomp wordt aangesloten, zij gaan weg, en wij zitten bij je, wachtend tot de Heer zegt: 'Kom maar bij Mij.'
In het uur dat volgt verandert je ademheling, langzaam maar toch ook duidelijk.
Een teug en stilte.
Nog een keer, en nog een keer ..., langzaam zien we het leven uit je wegglijden.
Dan is het stil.
Je bent Thuis.
![]() |
| Bram Klapwijk Haarlem, 16-10-1960 - Ede, 10-8-2026 |

Geen opmerkingen:
Een reactie posten