donderdag 13 juni 2013

God leidt; gelukkig wie ...

Bedenk hoe groot en indrukwekkend de HEER is ...    (84)

Mijn hart verlangt naar Zijn aanwezigheid, maar voor ik mijn Bijbel opensla en stil wordt, loop ik naar beneden voor een kopje koffie.
Ook ga ik nog even naar het toilet, waar mijn oog valt op één van de vele ‘kaarten’ die daar op mijn prikbord hangen.

‘Mijn ziel verlangt naar U,
omdat U mijn ziel gereed maakt om U te ontvangen,
door dat verlangen Zelf aan te wakkeren

Augustinus

Ik neem het mee naar boven naar mijn kamertje, terwijl ik de woorden tot me door laat dringen.
Ze raken me, deze woorden, en mijn gedachten gaan tegelijk ook naar een paar prachtige liederen die er zijn, en gaan over onze ziel, over het verlangen van onze ziel.

Terwijl ik de woorden ‘Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij’ als het ware hoor in mijn hoofd, komt juist Psalm 146 op in mijn gedachten.
Ik zoek hem op en lees wat er staat.

‘Eer aan de HEER!
Prijst de Heer, mijn ziel, ja, de Heer wil ik prijzen, mijn leven lang, voor mijn God wil ik zingen, zolang ik besta.’ (vers 1,2)

Ik verbaas mijzelf soms met mijn eigen gedachtekronkels; zoals die alle kanten op kunnen gaan.
Tegelijk en door elkaar lijkt het soms wel.
Ik besluit de Psalm maar eerst eens te lezen en ik lees hem alsof ik één van mijn gedichten voordraag en geniet daarbij van deze mogelijkheid om het zo hardop te kunnen doen, omdat er niemand thuis is.
De woorden dringen immers zoveel dieper door dan wanneer ik ze zachtjes, of in mijzelf, lees.

Met het lezen van deze Psalm ervaar ik dat God mij naar deze woorden geleid heeft.
Van mijn verlangen naar even bij Hem te zijn, Zijn woorden tot mij te nemen, naar de woorden van Augustinus op het kaartje dat in mijn toilet hangt, vervolgens naar deze naar deze Psalm waardoor ik bij deze bemoediging terecht kom.
(En dat terwijl dit kaartje er eigenlijk alweer zolang hangt, dat ik eigenlijk nodig weer wat anders op moest gaan hangen)

‘Eer aan de HEER!
Prijst de Heer, mijn ziel, ja, de Heer wil ik prijzen, mijn leven lang, voor mijn God wil ik zingen, zolang ik besta.

Vertrouw niet op machthebbers, het zijn maar mensen, zij kunnen je niet redden.
Als de mens zijn laatste adem uitblaast, dan wordt hij weer stof, dan vergaat hij en met hem zijn plannen.

Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jacob, alles verwacht van de HEER, zijn GOD, van Hem die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat erin leeft, van Hem die trouw blijft, altijd.

Want de HEER is het die recht verschaft aan wie onderdrukt worden, die te eten geeft aan wie honger lijden, die de gevangenen bevrijdt, de blinden ziende maakt, opricht wie gebogen gaan.
Wie Zijn wil doen, heeft Hij lief.

De HEER is het die vreemdelingen beschermt, wezen en weduwen tot steun is.
Maar wie van Hem niet willen weten laat Hij dwalen.

De HEER, uw GOD, is koning, o Sion, voor altijd, van geslacht op geslacht.
Halleluja, mijn ziel looft de HERE!’

Als ik aankom bij ‘Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jacob, alles verwacht van de HEER, zijn GOD, …,’ en de volgende verzen, lijken de woorden van Augustinus zich te vermengen met de woorden van God.
‘Mijn ziel verlangt naar U, omdat U mijn ziel gereed maakt om U te ontvangen, door dat verlangen Zelf aan te wakkeren.’

U maakte mijn ziel gereed om deze woorden van U te ontvangen.
U wakkerde het verlangen in mijn ziel naar U aan.
U hebt woorden van leven, van bemoediging.

‘Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jacob, alles verwacht van de HEER, zijn GOD, …’
Ja, ik mag mij gelukkig prijzen omdat ik mijn steun zoek bij U, want U bent trouw!
U doet wat U belooft.
U verschaft recht!
Geeft te eten, bevrijdt, maakt ziende!
U richt op wie gebogen gaan!
U hebt lief wie Uw wil doen; U wakkert in hen het verlangen naar U aan om hen zo Uw woorden te kunnen geven.
Woorden die leiden, maar ook troosten en bemoedigen.
En onze ziel vindt pas rust als zij bij U komt; onze ziel wordt pas verkwikt en opgericht als zij Uw woorden indrinkt.
En hoe meer we door Uzelf worden gevoed en getroost, bemoedigd en opgericht, hoe meer onze ziel weer gaat verlangen naar U, en naar Uw woord.

Verlangen en stil worden; naderen tot Zijn troon van genade.
Zijn woorden lezen en binnen laten komen tot in het diepst van je binnenste, waardoor je wordt opgericht door te zien op wie Hij is en wat Hij heeft gedaan.
En vervolgens je ziel aan sporen tot lofprijs Omdat Hij het waard is dat Zijn Naam wordt verheerlijkt.





>> 'As the deer pants longs for water, my soul cries for You ...
      ... My soul longs for You, my soul longs for You ...

>> ‘Stil, mijn ziel wees stil, en wees niet bang voor de onzekerheid van morgen …
      God, U bent mijn   God, en ik vertrouw op U en zal niet wankelen …’

>> ‘Looft de Heer, o mijn ziel. O mijn ziel, prijs nu Zijn heilige Naam! 
      Met meer passie dan ooit; o mijn ziel, verheerlijkt Zijn heilige Naam!’





Dank U wel, vader, dat U mij liefheeft.
Dank U wel, dat Uzelf het verlangen naar U in mijn ziel aanwakkert en mijn ziel er ook klaar voor maakt om U te kunnen ontvangen.
Mijn ziel verlangt naar U, naar te ontvangen van U, alles wat U voor mij heeft.

- Amen -

Mijn ziel verlangt naar Hem
als dorstig land naar water,
als een hert dat naar water schreeuwt.
Mijn ziel komt pas tot rust
als zij haar rust gevonden heeft bij Hem.
Mijn ziel wordt pas opgericht
als zij wordt gevoed
door te luisteren naar Zijn stem.

Word stil, mijn ziel, word stil
en wacht op de Heer.
Word stil mijn ziel, word stil.

Laat God je klaarmaken
om te Hem
kunnen ontvangen.
Wees stil, mijn ziel,
want Hij is het die jou vult
met dit verlangen.

Loof de Heer, mijn ziel, loof de Heer
en zing van Zijn heilige Naam.
Loof de Heer, mijn ziel, loof de Heer!

Prijs Hem om de hulp die Hij is;
de troost en redding,
de bevrijding die Hij geeft.
Loof Hem, mijn ziel,
om Zijn liefde en Zijn trouw.
Prijs Hem, die eeuwig leeft.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen