zondag 7 april 2013

De levende God, die redt

Bedenk hoe groot en indrukwekkend de HEER is ...   (69)

Toen hij de kuil naderde, riep hij heel bedroefd: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft de God die je zo trouw vereert, je kunnen redden van de leeuwen?’

Daniël 6:21

Het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil is een heel bekend verhaal.
Het is immers ook een heel bijzonder wonder dat hier plaatsvindt.

Als een aantal jaloerse ministers en satrapen Daniël in de val laten lopen, dan ziet het er niet goed voor hem uit.
De nieuwe wet die zij uit willen vaardigen -dat er voor een periode van dertig dagen tot niemand anders dan tot de koning zelf een verzoek mag worden gericht dus ook niet tot een god of een mens- streelt de ego van de koning, en deze denkt niet verder na en ondertekent de wet.
Het overtreden van deze wet betekent een enkele reis naar de leeuwenkuil.

Ze hadden het wel goed bekeken, die ministers en satrapen, ze hadden er namelijk voor gezorgd dat het een wet van Meden en Perzen werd, wat betekent dat die wet onherroepelijk was.
Niets kon daar nog aan veranderd worden.

Daniël hoort van deze wet, maar gewoon als hij is om driemaal per dag met open raam richting Jeruzalem te bidden, verandert hij daar ook nu niets aan en doet wat hij altijd doet: hij bidt voor het open raam richting Jeruzalem.
Niets en niemand, ook deze wet met de straf die daarop staat niet, kunnen hem weerhouden van het belangrijkste in zijn leven: God.

De ministers en satrapen zullen wel vermoed hebben dat Daniël hier niets aan zou veranderen en zagen hier dan ook hun kans schoon om op deze manier van Daniël af te komen.
Ze houden hem dan ook nauwlettend in de gaten.
Lang hoeven ze niet te wachten en zo snel ze kunnen gaan ze terug naar koning Darius om te vertellen dat Daniël de wet heeft overtreden.
De koning schrikt en beseft dat ze hem in de val hebben laten lopen, maar hij kan er niets meer aan veranderen.
Tot zonsondergang zoekt hij nog naar een manier om onder alles uit te komen, maar hij heeft geen andere keuze dan Daniël in de leeuwenkuil te gooien.
‘Ik hoop dat de God die je zo trouw vereert, je zal redden,’ zegt hij nog tegen Daniël.

Het raakt de koning heel diep, dat Daniël door deze wet in deze situatie terecht is gekomen en hij blijft de hele nacht wakker, zonder eten, zonder vertier.
Vroeg in de ochtend, het was nog nauwelijks licht, haast hij zich naar de leeuwenkuil en roept heel bedroeft: Daniël, dienaar van de levende God, heeft de God die je zo trouw vereert je kunnen redden van de leeuwen?’

Er moet iets van hoop in hem geweest zijn, iets van erkenning dat de God van Daniël dit misschien toch zou kunnen.
Hij noemt Hem in ieder geval ‘de levende God’.
Ook haast hij zich naar die leeuwenkuil en roept hij, al is het met een bedroeft en angstig hart.
‘Daniël, leef je nog?
Heeft jouw God je kunnen redden?’


Zou hij werkelijk antwoord hebben verwacht?
Zou er meer in zijn hart geweest zijn dan alleen gevoelens van vrees en hoop?
Wat zal er door hem heengegaan zijn op het moment dat Daniël hem antwoord?

‘Majesteit, ik wens u een lang leven toe.  Mijn God heeft Zijn engel gestuurd om de leeuwen in toom te houden. Ze hebben mij niets gedaan. God weet dat ik onschuldig ben. En u, majesteit, heb ik op geen enkele wijze benadeeld.’

Snel wordt Daniël uit de leeuwenkuil gehaald en iedereen ziet dat hij ongedeerd is, omdat hij op zijn God vertrouwde.
Maar de koning is woedend op de mannen die Daniël beschuldigd hadden en hij geeft de opdracht om hen met vrouwen en kinderen in de leeuwenkuil te gooien.
Ze zijn nog niet op de bodem van de kuil of de leeuwen grepen hen ...

Dan vaardigt koning Darius aan alle bewoners van de aarde, en in welke taal zij ook spreken, een nieuw bevel uit.

‘Vrede en voorspoed komen u toe!
Ik beveel dat men in alle delen van mijn rijk een diep ontzag moet hebben voor de God van Daniël.
Hij is de levende God, nu en altijd.
Zijn rijk wordt nooit verwoest en aan Zijn regering komt geen einde.
Hij redt en bevrijdt.
Indrukwekkend zijn Zijn daden, Hij doet wonderen en tekenen in de hemel en op de aarde.
Daniël heeft Hij gered uit de klauwen van de leeuwen.’

De trouw van Daniël aan zijn God had hem gered, maar ook was het een getuigenis voor koning Darius, die hierdoor overtuigd werd van Gods macht.
En die erkenning klinkt door in zijn woorden: ‘Hij is de levende God, voor nu en altijd.’

Dat was Hij toen en dat is Hij nog steeds!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen