maandag 28 januari 2013

Kadosh

Om te voorkomen dat ik in m'n stukjes over de grootheid van God en hoe indrukwekkend Hij is, dezelfde teksten zou gebruiken, was ik vamorgen eerst eens even bezig om de teksten op een rijtje te zetten.
Daarbij kwam ik erachter dat ik vorige week een dag heb overgeslagen.
Op mijn blog gaat het van 21 naar 23; ik schrok er even van.
Waar is dat stukje dan gebleven?
Nu, dus nog netjes in mijn map bij de andere stukjes.
Doordat het oma-dag was, ben ik het waarschijnlijk vergeten er op te zetten.
Dus nu als nog het stukje van Dag 22.
Het is nog een beetje een vervolg op Dag 21, over Gods heiligheid.


Bedenk hoe groot en indrukwekkend de Heer is ...   (22)

Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.

2 Samuel 6:7

Ook vandaag laat de Heiligheid van God mij nog niet los.
Het andere verhaal dat een geweldige indruk op mij gemaakt heeft is het verhaal van Uzza.
(Ik moet wel bekennen dat het niet zijn naam is die ik heb onthouden, maar wel wat er met Hem is gebeurd)

Het hele verhaal begint eigenlijk nadat de Israëlieten een flinke nederlaag hebben geleden in hun strijd tegen de Filistijnen en zij als reactie daarop de Ark van het Verbond uit Silo gaan halen. (1 Samuël 4:3,4)
Ze dachten zo, dat de HEER dan wel in hun midden zou zijn en zij nu wel zouden winnen.
Het tegenovergestelde is echter waar.
Hoe bang de Filistijnen in wezen ook waren voor de God van Israël, ze besloten te vechten alsof hun leven ervan afhing.
En … , ze wonnen opnieuw de strijd en maakten de Ark van het verbond buit.
De Filistijnen namen de Ark mee en plaatsten hem in de tempel van hun god Dagon in Asdod.
Vanaf dat moment zaait de Ark dood en verderf onder de Filistijnen en uiteindelijk belandt de Ark in Kirjat-Jearim, waar Abinadab, en zijn zoon Eleazar worden geheiligd om zo voor de Ark te kunnen zorgen.

Het is David die op een gegeven moment de Ark weg gaat halen uit Kirjat-Jearim.
(2 Samuël 6:2)
De zonen van Abinadab, Uzza en Ahio, leiden de nieuwe wagen waar de Ark opstaat.
Echter op een gegeven moment, bij de dorsvloer van Nachon, struikelen de runderen en Uzza strekt zijn hand uit naar de Ark van God en grijpt die vast om te voorkomen dat deze zal vallen.

Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.

Ik weet nog dat, toen ik nog heel jong was dit totaal niet begreep.
Waarom deed God dit nu?
Uzza wilde toch alleen maar voorkomen dat de Ark van het Verbond zou vallen?
Waarom strafte God hem nu terwijl hij alleen maar wilde helpen?
Ik begreep er niets van en vond het eigenlijk oneerlijk van God.
Ach, wat begreep ik toen nog weinig van het feit dat alles te maken heeft met de Heiligheid van God.
En het was ook pas toen ik ouder werd, dat ik het tot mij doordrong dat God helemaal geen hulp nodig heeft van ons.
Natuurlijk niet.

Als ik zo bezig ben met dit stukje en dit alles zo nog eens aan het nalezen was, trof nog een ander gedeelte mij heel diep.
Iets wat ik me niet meer kon herinneren het gelezen te hebben, maar wat ik ongetwijfeld wel ooit gelezen heb.
Maar nu, nu ik bezig ben met de Heiligheid van God, hakt ook dit woord er behoorlijk in.

Het gaat om iets wat een eindje terug gebeurd is.
1 Samuël 6
De Filistijnen sturen de Ark terug en de Ark komt aan in Beth-Semes.
Als de inwoners de Ark zien aankomen zijn ze ontzettend blij.
Ze hakken het hout van de wagen tot brandhout, en offeren daar de koeien op die voor de wagen gelopen hadden.
Die dag brengen zij vele offers.
Maar …

1 Samuël 6:19 - Maar de HEERE doodde sommigen van de mannen van Beth-Semes, omdat zij in de ark van de HEERE hadden gekeken.
(De NBG, GNB en de WB, spreken van naar, in plaats van in)
Hij doodde van het volk zeventig man van de vijftigduizend man.
Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE het volk een grote slag had toegebracht.

Toen zeiden de mannen van Beth-Semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, deze heilige God?

Ook hier hetzelfde als met Uzza, als met de zonen van Aäron.
God is zo’n Heilig God; niets en niemand kan in leven blijven als er gehandeld wordt in strijd met Zijn wil, waar Zijn heiligheid in gedrang komt.
De inwoners van Beth-Semes leren op en wel heel harde manier over Gods heiligheid.

Zomaar wat voorbeelden van uit het OT over Gods heiligheid, over hoe ontzettend heilig onze God wel niet is.
En ook al is de Here Jezus gekomen, er is niets aan Gods heiligheid veranderd.
Hij is immers onveranderlijk!
Ja, door Jezus mogen we deze heilige God Vader noemen, maar in alle eerbied en met heilig ontzag; zoals Jezus deed.

Opnieuw en nog meer, hemelse Vader, ben ik geraakt door Uw heiligheid.
Mijn hart is gevuld met diep ontzag voor U en de woorden van de inwoners van Beth-Semes klinken nog na in mijn oren.
Ik dank U, daarom met heel mijn hart, voor Uw Zoon, onze Here Jezus Christus, die de weg naar U heeft vrijgemaakt, zodat wij nu kunnen en mogen naderen, in alle vrijmoedigheid tot Uw troon van genade.
Laat mij echter daarin nooit vergeten hoe heilig U nog steeds ben.
Daarin is niets veranderd.
Jahweh Kadosh.
Heilig God.
Ik buig mijn hoofd voor U en aanbid U.

- Amen -


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen